Macht en moraal

Dat ik nog steeds een existentialist ben, is niet iets waarvoor ik me schaam. Waar anderen praten met God spreek ik wel eens met Sartre.

‘Je weet dat ik heb gezegd dat we een moraal moeten zien te vinden nu God dood is’, zegt Sartre soms tegen mij.

‘Hoe moeten we dan denken over de moraal, Sartre?’

Na een lange discussie, en na het lezen van Paul Cliteur en vele anderen, komen Jean-Paul en ik op de rechten van de mens als toetssteen van de moraal. Martelen mag bijvoorbeeld niet. En in die mensenrechten worden ook de rechten van vrouwen en minderheden veiliggesteld. Ze omschrijven, kortom, een vorm van algemeen fatsoen.

Ik gebruik ze als de stenen tafelen van Mozes om ze aan ons volk te tonen als ik aan het schrijven ben.

Maar dan komt er een fascistisch regime opzetten: IS.

Ons land wordt bedreigd.

‘Macht en moraal’ wordt opeens een titel uit 1970 van een boek dat ook in het antiquariaat niet wordt verkocht.

Macht en moraliteit gaan namelijk niet samen. We bestrijden IS met bommen, maken burgerslachtoffers waaronder vrouwen en kinderen, en dat is heel vervelend maar het kan niet anders als je oorlog voert. Het zal ook niet lang meer duren of de laarzen, ook de onze, zullen de vijandelijke grond raken met het oogmerk te bevrijden.

Mogen wij dan martelen?

IS heeft het gemunt op scholen en universiteiten, ze schieten zomaar studenten dood, ze maaien alles neer met hun kalasjnikovs in redactielokalen van de pers en het openbaar vervoer, ze onthoofden zonder proces mannen van een ander geloof, stenigen vrouwen en hangen homo’s op. Arresteer je iemand die weet waar een volgende vernietigende actie aanstaande is, dan heb ik ethisch geen bezwaar tegen waterboarding of stroomstoten. (Offer er één als je er honderd kunt redden.) Ik geloof alleen niet dat je met martelen snel betrouwbare informatie loskrijgt, zo lees ik constant en weet ik van mijn moeder die zelf werd gemarteld.

In oorlog is alles geoorloofd.

Een hoogstaande moraal in vredestijd is soms een fraaie plek om je achter te verbergen, zoals onze politici onlangs deden.

De nieuwe moraal is waarschijnlijk ook weer van blubber

Minister-president Rutte vond het niet erg als een IS-jongere in zijn zelfverkozen oorlogsgebied sterft, in plaats van hier.

Bijna alle politici vonden dit een onsmakelijke opmerking.

Maar zo’n jongen die heeft gemarteld, onthoofd, of daaraan heeft meegewerkt, verliest ons mededogen – zoals wij omgekeerd bij hen alle empathie hebben verloren en zij ons daarom zomaar willen onthoofden.

Zo’n zestien-, zeventienjarig strijdertje heeft het recht op een leven hier verspeeld.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben wij de doodstraf uitgesproken over onze grootste vijanden.

Het was de consequentie van een oorlog die wij hadden gewonnen.

En we stonden daarmee in ons recht.

Als wij in oorlog zijn met IS, dan is het van de minister-president niet onsmakelijk om de vijand liever te zien sterven op zijn eigen grondgebied dan op het gebied dat de vijand wil veroveren.

De toetsstenen van onze moraal blijken niet van steen maar in het beste geval van elastiek en vooralsnog van een soort blubber die zich naar alles voegt en zo slap is dat hij geen enkele druk kan verdragen.

Macht heeft namelijk de verderfelijke eigenschap de moraal te verpletteren. En als die verslagen is, sta je weer op dat kruispunt: naar links wijst het bord naar de Apocalyps waar het gouden kalf aanbeden wordt, naar rechts naar het strijdveld van een nieuwe moraal waarvan we niet weten hoe die eruit zal komen te zien en die waarschijnlijk ook weer van blubber is.

Je voert oorlog om een moraal te handhaven, te beschermen, maar het is zinloos om met die moraal oorlog te voeren.

Een moraal is juist geen wapen.