Macht en profijt

Piet Hagen beoogt met zijn ‘Koloniale oorlogen in Indonesië’ de enorme hoeveelheid bestaande literatuur over het onderwerp ‘onder het stof vandaan te halen en toegankelijk te maken’. Journalistiek op z’n best.

21 juli 1947. Nederlandse mariniers nemen de kust bij Pasir Poetih op Oost-Java in tijdens de eerste politionele actie © Hugo Wilmar / Spaarnestad Photo / HH

In de loop van de inleiding van zijn robuuste geschrift over koloniale oorlogen verwijst Piet Hagen naar een aantal boeken die hem inspireerden. Een daarvan prijkt al jaren boven mijn werktafel en hielp me talloze keren uit de brand. Dat is het in 2003 door de Franse historicus Marc Ferro uitgegeven Livre noir du colonialisme, een naslagwerk dat loopt van de zestiende tot de 21ste eeuw, ‘de l’extermination à la repentance’ zoals de ondertitel zegt, ‘van uitroeiing naar spijt’.

Dit geschrift was verre van het eerste dat een sterk negatieve visie op Europa’s koloniaal verleden verkondigde, maar is daarvan wel een van de meest spraakmakende. Er zijn duizenden artikelen over geschreven, duizenden verwijzingen naar te vinden. Sindsdien, begin deze eeuw, is die visie zelfs zo gemeengoed dat tegenstemmen (zoals die van Piet Emmer bij ons) veelal meteen worden gesmoord. Als er zoiets als een communis opinio over het koloniaal verleden bestaat, dan is die tegenwoordig zonder twijfel op de hand van een man als Ferro. Het is deze ‘nieuwe traditie’ waarin ook Piet Hagen staat. Ter illustratie één citaat, waaruit overigens meteen blijkt dat Hagen wel degelijk oog heeft voor de ‘oude traditie’, die dus waarin werd beklemtoond dat aan de overzijde van de oceanen ‘groots werd verricht’. Het zijn tevens de laatste woorden van het boek: ‘Hoe men de balans van het koloniale tijdperk ook laat uitvallen, altijd zal de herinnering blijven meewegen aan de miljoenen slachtoffers die de koloniale oorlogen met zich meebrachten. Aan hun nagedachtenis is dit boek opgedragen.’

Miljoenen? Ja, dat is wat Hagen beweert, overigens zonder het hard te maken. Ik zou ook niet weten hoe dat zou moeten, hij vermoedelijk evenmin. Maar moeilijk is zo’n schatting niet, zeker niet als je bedenkt dat er alleen al in de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië miljoenen (Loe de Jong: 2,5 miljoen, de Indonesische regering: 4,1 miljoen) mensen omkwamen. Maar ja, wat zeggen dergelijke cijfers? Dat ze vreselijk zijn, niet veel meer.

Dat ligt anders met een volgend cijfer waarmee Hagen komt, aan het begin van zijn boek en in uitvoerige vorm aan het einde nogmaals. Dit cijfer was voor hem, zo schrijft hij, in zekere zin zelfs de trigger tot het schrijven van dit boek. Lezend over de zogenoemde Java-oorlog (1825-1830, Nederlandse regering versus inheemse opstandelingen) vroeg hij zich af hoeveel van dergelijke conflicten er in de loop van de eeuwen eigenlijk geweest waren en hij begon, heel journalistiek, een lijstje te maken. Dat lijstje groeide en groeide en bevatte uiteindelijk zo’n vijfhonderd ‘min of meer afgebakende militaire confrontaties’ (ze staan achter in het boek opgesomd) plus nog enkele ‘honderden kleinere acties waarbij geweld werd toegepast zonder dat er van een duidelijke oorlogssituatie sprake was’.

Vijfhonderd ‘oorlogen en oorlogjes’ in, zeg, 350 jaar, het is nogal wat en leidt vanzelfsprekend tot de vraag naar de reden van al dat geweld. Daarover is Hagen zeer uitgesproken, wellicht zelfs iets té. Daarbij verwijst hij regelmatig naar het adagium dat ook voor in het boek staat, van Jan Pieterszoon Coen: dat handel en oorlog hand in hand gaan, ‘dat den handel sonder d’oorloge noch d’oorloge sonder den handel nyet gemainteneert connen werden’. Winst dus, profijt. Dat is de reden dat kolonisatoren, in dit geval vooral Nederlanders, er steeds weer op los sloegen. Slaan was goed voor de portemonnee. Volgens Hagen dan.

Winst, profijt. Dat is de reden dat kolonisatoren er steeds weer op los sloegen. Slaan was goed voor de portemonnee

Voordat hij hierop ingaat, verhaalt Hagen uitvoerig, zo’n zevenhonderd pagina’s lang, van honderden klop- en vechtpartijen of -partijtjes. Opmerkelijk aan dit uitvoerig verhalen is dat Piet Hagen geschiedenis schrijft op een manier die je onder beroepshistorici niet vaak meer tegenkomt. Ouderwets, ben ik geneigd te zeggen. Hieraan zie je dat Hagen uit een andere traditie stamt, die van de journalistiek, en er mede daarom toe neigt eerst ‘de feiten op een rijtje’ te zetten. Wie, wat, waar, wanneer en hoe. Daar voelen veel moderne historici zich vaak te goed (want: wetenschappelijk) voor. Ze neigen naar theorie of academisch debat en menen om die reden, meestal impliciet, dat feiten bijkomstig dan wel bekend zijn of voor zich spreken. Hagen denkt daar anders over. Dit verklaart ook waarom hij zoveel ouder werk raadpleegde, plus de zeventig jaargangen (1870-1940) van het (journalistieke) Indisch Militair Tijdschrift. Op dergelijke plekken vind je ‘de feiten’ nog gewoon vermeld. En toen en toen en toen. Het is dit ‘en toen’ dat uit veel moderne geschiedschrijving is verdwenen maar dat Hagen in dit boek terugbrengt. Het heeft voor- en nadelen.

Ook opmerkelijk is dat achter al dit vertellen wel degelijk een opzet schuilt. Hagen wilde de gebeurtenissen niet zomaar, om het vertellen, op een rijtje zetten, maar meent dat hieraan ook behoefte is. Het wordt tijd, zo schrijft hij, de enorme hoeveelheid bestaande literatuur over koloniale oorlogen ‘onder het stof vandaan te halen, samen te vatten en toegankelijk te maken’. Dat is op dit moment belangrijker dan ‘toevoeging van nieuwe details’. Daar heeft hij gelijk in, er ligt zoveel prachtig maar vergeten materiaal uit de negentiende en begin twintigste eeuw dat het inderdaad een beetje dwaas is om steeds weer te proberen met ‘nieuwe inzichten’ te komen. Vaak zijn die inzichten immers niet zo nieuw, ze zijn onbekend. Dat is niet hetzelfde. Vandaar dat Hagen met dit boek ook zoiets als een naslagwerk wil bieden, in de trant van het genoemde Livre noir van Ferro of het Colonial Wars Source Book van Philip Haythornthwaite. Voorzover ik kan nagaan – maar ja, het zijn wel honderden verhalen en verhaaltjes – is hij daarin behoorlijk geslaagd.

Blijft vanzelfsprekend staan dat al die verhalen niet kunnen zonder samenhang, visie, zingevend perspectief of hoe je het ook wil noemen. In de oude traditie lag de ordening voor de hand. Nederlanders hadden zowel het recht als de plicht leiding te geven aan de arme schepsels die de wereld aan de overzijden van de oceanen bevolkten. Een fraaie passage wat dit betreft wijdt Hagen aan ‘onze’ Hugo de Groot. Traditioneel wordt hij gezien als een van de belangrijkste grondleggers van het internationaal recht. Daar valt weinig op af te dingen, maar Hagen plaatst daar terecht één kanttekening bij: dat Hugo de Groot verre van onpartijdig was. Wat hij in het ene geval (Nederlanders versus Spanjaarden) rechtvaardigde, viel volgens hem in het andere geval (Indonesiërs versus Nederlanders) buiten het recht. Anders gezegd: ‘Zijn rechtvaardiging van het optreden van de voc legde een ideologisch fundament onder het koloniaal systeem.’

Er hoort nog een kanttekening bij de oude traditie – Hagen had daar wel wat meer nadruk op mogen leggen: genoemde plicht. Zeker vanaf het eind van de negentiende eeuw waren er steeds meer kolonialen die het met de Indonesiërs goed voor hadden. Zij geloofden in het beschavingsideaal en meenden dat Nederlanders wat dat betreft simpelweg verder gevorderd waren dan hun onderdanen. Het is een stelling met haken en ogen, maar niet zonder meer onjuist en Hagen stelt dan ook, terecht denk ik, dat de ethische politiek bijgedragen heeft aan de Indonesische bewustwording. Zij heeft ‘als een soort paard van Troje het idee van ontwikkeling van de kolonie tot zelfstandigheid bevorderd’. >

Maar recht en plicht zijn, zeker vanuit het perspectief van de nieuwe traditie in de koloniale geschiedschrijving en dus ook vanuit het perspectief van Hagen, ver ondergeschikt aan simpelere en plattere motieven. In twee woorden: macht en profijt, vooral dit laatste. De noodzaak hiervan was dermate evident dat toenmalige commentatoren het niet eens beseften. Hagen wijst in dit verband op een interessant huis-tuin-en-keuken-woordje dat steeds weer in hun teksten sluipt. ‘Opvallend in veel militaire verslagen en politieke beschouwingen is het gebruik van het woord “moeten”’, schrijft hij. ‘Alsof er een “wet der noodzakelijkheid” bestond die de kolonisatoren tegen hun wil dwong tot verovering en bezetting. Er was dreiging van verzet, dus moest er ingegrepen worden. Buitenlandse concurrenten lagen op de loer, dus moest wel preventief opgetreden worden. Nederlands reputatie als “wettig” gezag stond op het spel, dus moesten de wapens spreken.’ Hij concludeert, opnieuw: ‘Bij nadere beschouwing blijkt keer op keer dat de begeerte naar profijtelijke producten de werkelijke drijfveer was.’

Een belangrijke vraag van de koloniale geschiedschrijving, ook in dit boek, is hoe het in hemelsnaam mogelijk is geweest dat een handjevol vreemdelingen in staat was zulke enorme stukken land en dergelijke mensenmassa’s te beheersen. Het antwoord is in zijn algemeenheid bekend: door te verdelen en te paaien. Alleen al in de voc-tijd (vóór 1799) werden er zo’n 330.000 Europese soldaten en iets minder dan één miljoen Europeanen naar Azië verscheept. Rond 1900 bestond het Nederlands-Indische leger uit ruim 15.000 Europeanen. Zij maakten deel uit van een Europese bevolking van ruim 80.000. Dit zijn aanzienlijke getallen. Maar ze vallen volstrekt in het niet bij dat van de autochtone bevolking. In 1905 bestond die uit zo’n 37 miljoen mensen, meer dan 460 keer zo veel. Een bezettingsmacht van zo’n 0,2 procent van de bevolking dus. Zo’n macht kan niet zonder slimme politiek (‘paaien’) en wat wij in Tweede-Wereldoorlogtermen collaborateurs zouden noemen. ‘Zonder de permanente bijdrage van honderdduizenden Indonesische huursoldaten, hulptroepen (barisan), dwangarbeiders, vrije koelies, kokkies en njai [huishoudsters] zouden de vreemde overheersers niet in staat zijn geweest Indonesië te overheersen.’

Piet Hagen is een bijzonder man. Ik zal nooit de stukken over media vergeten die hij een jaar of vijftien geleden voor NRC Handelsblad schreef – ik herinner me met name hoe hij de journalistiek van de krant zelf fileerde, onder meer naar aanleiding van de Margarita-affaire. Die stukken waren steevast van hoog niveau. Het is hetzelfde niveau dat Hagen in dit boek tentoonspreidt, zij het dat het perspectief in dit geval nederig is: als verteller is Hagen niet meer dan een even eenvoudige als nijvere boodschapper. Zo is journalistiek op z’n best en biedt precies wat veel moderne geschiedschrijving, vol van eigen ‘wetenschap’, ontbeert.