Macht moet je hebben! macht!

Wessel te Gussinklo, De opdracht. Uitgeverij Meulenhoff, 551 blz., f49,90
DE KERK STOND nog in het midden, Radio Luxemburg veroverde de ether, de rock ‘n’ roll tastte zeden en gewoonten van de jeugd aan, in retraites die zich in eindeloze verveling voortsleepten boenden populair doende paters de zielen schoon. In die tijd moest je deugen. Op de Veluwe heerste kinderverlamming en zomerkamp. Dat laatste betekende tenten opzetten, appels lopen, wandel- en fietstochten maken, gezamenlijke eetpartijen organiseren, opdien- en afwasbeurten, gebed en psalmzang. Het vermaak speelde er zich af rondom het kampvuur. Dat alles was er om de saamhorigheid te versterken, de geest te luchten en de spieren te stalen. Een zijn onder de fier wapperende driekleur, daar ging het om. We schrijven de jaren vijftig.

Dat is ook het decennium waarnaar Wessel te Gussinklo zijn personage Ewout Meyster verplaatst, de inmiddels veertien jaar geworden jongen die hij in De verboden tuin (1986) - waarmee hij de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs won - zijn kinderjaren heeft gegeven. Niet dat hij er in zijn nieuwe boek De opdracht een tijdsbeeld van geeft. Verre van dat zelfs. De sfeer van die jaren kiert slechts af en toe tussen de zinnen door, alleen die van het zomerkamp met zijn ondoorzichtige machtsverhoudingen en vriendschapsverbanden, de daaruit voortvloeiende vileine spelletjes en pesterijen en seksuele broeierigheid krijgt de volle aandacht.
Zoals Te Gussinklo in zijn debuutroman voor de lagere school koos als een belangrijke locatie, zo neemt hij nu, symbolisch genoeg, een zomerkamp voor verzets- en oorlogskinderen als de ideale gelegenheid om een inkijk te geven in het geexalteerde, dweepzieke denken van zijn recalcitrante en met de wereld worstelende puber. Een jongen ook die op allerlei manieren zijn gebrek, een scheel oog en een net overwonnen stotter-handicap, zoekt te compenseren.
OM HET VERHAAL zelf gaat het niet. Dat is trouwens ook flinterdun. Des te meer speelt zich af in het hoofd van Ewout. Voor de goede orde toch enkele gegevens. Zijn vader is in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers vermoord. Sindsdien verzorgt zijn moeder in haar eentje zijn opvoeding. Hij heeft zojuist vanwege een conflict het gymnasium moeten verlaten, met als gevolg dat hij nu naar het internaat moet. Daarmee dient zich een mogelijke locatie voor een vervolg aan, want dat deze cyclus over Ewout Meyster zal worden voortgezet, lijkt me zeer waarschijnlijk.
Deze keer heeft Ewout zich extra goed geprepareerd op het jaarlijkse uitstapje. Vooral omdat hij tot het inzicht is gekomen dat God niet bestaat, waardoor het bestaan zinloos wordt. Dat is een boodschap die hij maar al te graag wil uitdragen in die christelijke club. Om ze kracht bij te zetten heeft hij zich een in zijn ogen imponerend vocabulaire aangemeten waarmee hij zijn leeftijdgenoten wil afbluffen: ‘Het woord “autark” bijvoorbeeld of “inherent”, (…) en natuurlijk “uberhaupt”, of het woord “verdomme” achteloos en haast onverschillig gebruikt.’ Daarnaast ook uitroepen als 'Die is voor jou’, en 'Een-nul’, ondersteund door superieure gebaren en gewiekste reacties die hij zorgvuldig voor de spiegel heeft ingestudeerd.
Het zijn de woorden waarmee hij uiteindelijk zelf gehoond en gekleineerd gaat worden. Want anders dan voorzien wordt hij niet ingedeeld bij zijn leeftijdsgenoten, maar bij de groep zestien- en zeventienjarigen, waar men met zijn praats maar weinig op heeft.
Al gauw wordt ook zijn vurigste wens onvervulbaar. Een populaire persoonlijkheid zal hij niet worden, eerder het tegendeel. Zoals uit zijn voorbereidingen al blijkt, bezit hij een onverwoestbaar talent om zich bij iedereen ongeliefd te maken. Wat de gevolgen daarvan kunnen zijn - ook in een zich op haar tolerantie beroepende christelijke gemeenschap - laat Te Gussinklo zien in de slotscene, waarin het onbegrepen provinciaaltje genadeloos wordt gejend door de kleurloze rest. Daarna is zijn isolement compleet.
MAAR DAT ZIJN de omstandigheden. De roman is in feite een portret van binnenuit, gevat in een monologue interieur die de bewegingen en overwegingen in het denken van de veertienjarige laat zien.
Veertien is een leeftijd die zo langzamerhand een klassieke figuur in de Nederlandse literatuur begint op te leveren. Vestdijk en Mulisch bijvoorbeeld (met personages als Anton Wachter en Anton Steenwijk) maakten er al eens gebruik van. Ongetwijfeld om dezelfde reden als Wessel te Gussinklo nu: hij markeert een overgang waarin de onbevangenheid, het dagdromen en fantaseren uit de kinderjaren botst op de realiteitszin van de volwassenenwereld, waarin belang en berekening zo'n overheersende rol spelen. 'Kon hij maar terug. Kon hij maar weer zijn als vroeger, toen alles vanzelf sprak’, wenst Ewout. Maar dat is onmogelijk. En dat het leven een kwestie van geven en nemen is, van relativeren en omtrekkende bewegingen maken, moet hij nog leren.
Zijn denken ziet er derhalve nog heel wat minder grijs uit, dat bestaat voornamelijk uit contrasten. Ewout worstelt met van alles en nog wat. Hij is tegelijkertijd bijna obstinaat en onderdanig. Daarbij is hij zich er terdege van bewust niet zomaar iemand te zijn. Onderscheiden wil hij zich, niet opgaan in het grote geheel, anders zijn. Seksueel is hij nog zoekende. Meisjes interesseren hem matig, over homoseksualiteit doet hij uitgesproken denigrerend, maar wel heeft hij een neiging tot travestie. Omstandigheden taxeert hij voortdurend verkeerd en hij verstrikt zich regelmatig in de eigen observaties en gedachtenkronkels.
Bij afwezigheid van een vader heeft hij zich andere idolen gezocht. Dat zijn de minste niet; eerst Roosevelt en Churchill en, als de slag om de populariteit tenslotte totaal verloren is en hij als een 'lulletje’ moet afdruipen, Hitler. Bewondert hij in de eerste twee de uitstraling die ze bezaten, de laatste heeft hij nodig om de les uit zijn zomerkampervaring te trekken. Studeren, redeneren, overwegen, observeren en interpreteren vervreemden maar van de massa, om iets te bereiken moet er wat anders gebeuren: 'Macht moest je hebben - ook al had hij een te klein hoofd, en was hij steeds zenuwachtig: macht! Hitler had toch gelijk! Vals als een rat moest je zijn!’
WESSEL TE Gussinklo neemt de tijd om stukje bij beetje door te dringen in deze brij van kinderlijk machtsdenken, seksuele ontluiking en dweepzucht. Maar liefst vijfhondervijftig pagina’s telt deze Bildungsroman. Tot in de kleinste hoeken en gaten verkent hij het duistere vooronder van deze puberziel. Ewouts onbesuisdheid, zijn ijdelheid en euforie, zijn twijfels, zijn kwetsbaarheid, zijn hang naar grote woorden, zijn vaak overspannen woordgebruik, zijn verheven gedachten en zijn kramp - hij heeft het allemaal heel kunstig verankerd in een proza dat een grote betrokkenheid bij zijn onderwerp verraadt en sympathie voor zijn hoofdpersoon. Ook voor hem geldt wat Ewout heeft ervaren: dat de hel de anderen zijn, de 'boerenkinkels’ en 'achterbuurters’.
Te Gussinklo heeft dat vormgegeven in een volstrekt onmodieus boek, waar wel iets op af te dingen valt omdat de traagheid ervan niet altijd even effectief werkt. Maar dat bezwaar wordt voldoende gecompenseerd voor wie zich door hem laat meenemen.
En die keuze kan al snel gemaakt worden. Want al vanaf de eerste zin is duidelijk dat De opdracht een weerbarstige roman is. Er wordt breeduit en gedreven in verteld, in een geheel eigen ritmiek waarin herhalingen en vertragingen de boventoon voeren.