H.J.A. Hofland

macht van de boven-ikkers

Nog zie ik het gezicht van de geharde voetbaltrainer voor me, hoe hij vocht tegen zijn tranen toen hij bekendmaakte dat hij zijn ontslag had genomen. Dick Advocaat, na de verloren wedstrijd tegen Tsjechië. Zijn schuld! Hij had een goede speler door een verkeerde vervangen en nu kreeg hij zijn loon: nationale verbittering, vernietigende commentaren in de media en vooral haatmail. Heeft hij die bewaard, aan het Professor Pompe Instituut voor criminologisch onderzoek gegeven? In Nederland staan voetbaltrainers in de voorhoede van de altijd vorderende beschaving. Wat vandaag één trainer overkomt, kan later het lot van velen zijn.

Het Pompe Instituut heeft onderzoek gedaan naar het dreigen in de Nederlandse samenleving. Het neemt toe. Politici, bestuurders, journalisten, rechters: ze staan allemaal bloot aan de «hufterigheid» waarvan vroeger vooral de ambtenaren van volkshuisvesting en personeel van het openbaar vervoer het slachtoffer werden. En de trainers natuurlijk. Het breidt zich uit. «Na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh is sprake van een maatschappelijke verruwing.» Dreiging met e-mail is «explosief toe genomen». Het instituut is geneigd te concluderen dat het om een «puur Nederlands verschijnsel» gaat.

Mij dunkt dat deze «maatschappelijke verruwing» veel eerder is begonnen. «Het aantal patiënten dat in een ziekenhuis wordt opgenomen met opzettelijk toegebracht letsel, is binnen acht jaar van 652 gevallen gegroeid tot 1854. Verwondingen aan de aan gezichtsbeenderen en van inwendige organen komen het meest voor.» Aldus het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. In 1977. Van «zinloos geweld» had toen niemand gehoord. Daarna werden achtereenvolgens Joes Kloppenburg en Meindert Tjoelker door medestappers doodgeslagen. In die periode is de uitdrukking «zinloos geweld» ontstaan. Aan het begin van de Handboogstraat hangt nog een bordje met het opschrift «Geweldvrije zone» – onderste boven toen ik het een maand geleden zag.

Fortuyn is beroemd geworden met zijn uitspraak: «Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg». Het lag toen voor de hand dat een politicus zich zonder misverstanden of omhaal van woorden duidelijk zou uitdrukken. Politiek Den Haag was gestagneerd in het poldermodel. Dat hadden andere mensen al eerder en even duidelijk gezegd. Nout Wellink en Hans Wijers, om een paar vooraanstaanden te noemen. For tuyn deed het harder, schrok toen van zijn bijval en wilde op het nippertje het vervolg van zijn revolutie aan anderen overlaten. Maar het was te laat, hij werd vermoord door iemand die volgens normale maatstaven in de duisternis van de geschiftheid was geraakt.

Intussen had hij ongewild op een andere manier school gemaakt. Na zijn dood volgde de zomer van de kogelbrieven. Nog nooit hadden zo veel Nederlanders gedaan wat ze dachten. Nooit hadden zo veel Nederlanders andere Nederlanders bedreigd als in de maanden van die verwarring. De verantwoordelijke ministers zwegen en bij mijn weten heeft geen wetenschappelijk instituut toen onderzoek gedaan.

Het dreigen nam toe. Het instituut van het weblog bereikte Nederland en beleefde een stormachtige ontwikkeling. Eindelijk was iedereen vrij om de hele wereld te laten weten wat hij dacht en vond. Fundamentalisten, profeten, boze buurmannen, de Sjorsen van de Rebellenclubs, anonymi, allemaal gingen ze bloggen. Tyfuslijer, kankerhoer, enz. Je moet bloggen wat je denkt! En bevalt het je niet, dan kom ik je halen.

Tientallen jaren geleden werd door John Jansen van Galen in de toenmalige Haagse Post het Ik-tijdperk ontdekt. Als een eigentijdse Max Stirner schreef hij een klassiek geworden verhaal, Mir geht nichts über mich! Later is dat gegeneraliseerd tot «individualisering». De moderne mens hoorde niet meer tot een kerk, partij, groep of familie. Hij was uitsluitend zichzelf en aan zichzelf verantwoordelijk. Dat hoeft nog geen bezwaar te zijn, zolang die mens zijn fatsoen houdt, dat wil zeggen zich niet ongevraagd in het territorium van de anderen mengt.

Maar er was al een nieuwe mutatie in voorbereiding. Van het Ik-tijdperk zijn we naar het tijdperk van het Boven-Ik geëvolueerd. De Boven-Ikker is meer dan alleen de volstrekte baas over en van zichzelf. Hij is on der gegeven omstandigheden ook baas van de ander: degene met wie hij de stoep deelt, zijn medeweggebruiker, de redactie van zijn krant, de burgemeester. Als puntje bij paaltje komt is hij superieur aan de hele we reld. Dat laat hij, om te beginnen, in zijn toon en houding duidelijk merken. Onze overheid was het al opgevallen dat steeds meer Nederlanders zich in Boven-Ikkers veranderen. Zoals altijd probeert de overheid dan met een collectieve campagne genezing te brengen. In een radiospotje hoor je hoe een stuk of vijf mensen binnen een minuut onderling allemaal ruzie krijgen. Moraal: we hebben soms een héél kort lontje in ons landje.

De Nederlandse overheden vormen de enige partij die zich tot op de jongste dag in eufemismen zal blijven uitdrukken. De Boven-Ikkers maken de blits, of ze nu van het Voetbal zijn of van Allah, of dat ze op het gezag van hun eigen genie de hele wereld hun eigen mores willen leren, dat maakt in principe geen verschil. Na ongehoorzaamheid volgt de bedreiging. Internet en weblog hebben het dreigen verder gedemocratiseerd. Dit is misschien wel de fundamenteelste democratisering in de politieke geschiedenis.

Professor Frank Bovenkerk van het Pompe Instituut heeft vastgesteld dat de meest bedreigde beroepsgroepen zich over het algemeen niet van de wijs laten brengen. Ze beschouwen de bedreigingen als een «risico van het vak». Ja, wat moet je anders. De vraag blijft waar die typisch Nederlandse hysterie vandaan komt.