Machteloos

Onderkoning Tjeenk Willink waarschuwde vorige week opnieuw voor de instabiliteit van de Nederlandse democratie. De nood is hoog, maar de politiek doet niets.

DE ONDERKONING waarschuwde voor de laatste keer. Niet omdat hij anders de rode kaart trekt en straffen uitdeelt, daarvoor heeft de vice-voorzitter van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, helemaal de macht niet. Maar omdat hij vorige week voor het laatst in die functie in het jaarverslag van de Raad zijn licht liet schijnen over de democratische rechtsstaat. Want, zo schreef Tjeenk Willink bij zijn aantreden in 1997, de Raad van State is de hoeder van de democratische rechtsstaat, bewaakt de staatkundige regels en omgangsvormen, en die taak was destijds op de achtergrond geraakt. Dat die staatkundige regels en omgangsvormen in de afgelopen veertien jaar nóg belangrijker zouden worden, kan Tjeenk Willink toen niet hebben bevroed. Doordat gemeenschappelijke waarden in die jaren steeds minder een vanzelfsprekendheid zijn geworden, komt het er juist nu op aan om regels en omgangsvormen in acht te nemen, schrijft hij in zijn laatste jaarverslag. In een woelige wedstrijd zijn spelregels des te belangrijker.

Al die jaren dat hij vice-voorzitter was, waarschuwde de onderkoning dus. Tjeenk Willink wordt zo genoemd omdat formeel de koningin de voorzitter is. Dat zijn verhaal ook deze laatste keer weer vol zorgen is, illustreert enerzijds hoe machteloos de onderkoning is, hoe weinig de politiek met zijn waarschuwingen doet. Wat niet hetzelfde is als zeggen dat de politiek dat ook niet zou moeten doen. Politici zouden soms zelfs wel willen, maar het lukt ze niet. Verstrikt als ze zijn in hun eigen logica en het spel om de macht. Hun repliek is meestal: het moet nog erger worden, lees ‘erg’ als: mijn partij moet nog meer verliezen, voordat er wat gebeurt.

Anderzijds illustreert het telkens maar weer waarschuwen van Tjeenk Willink hoe hoog de nood is. Niet voor niks haalde hij in een interview met NRC Handelsblad afgelopen zaterdag de woorden van wijlen D66-leider Hans van Mierlo aan: 'We moeten de revolutie maken voor zij uitbreekt.’ Politici kunnen dus beter maar niet wachten totdat het nog erger wordt.
Wat is er dan zo erg in de ogen van Tjeenk Willink? Bij het duiden daarvan kun je hem consistentie niet ontzeggen. Dat het marktdenken ook is doorgedrongen bij de overheid en in het politieke debat, daar is hij menig keer op ingegaan. Ook nu weer. Hij hekelt het idee dat een organisatie het goed doet als in het jaarverslag maar staat hoeveel er is geproduceerd: 'Staatkundige instituties zijn meer dan doelorganisaties die jaarlijks kwantitatief meetbare producten moeten afleveren. Zij vertegenwoordigen ook morele waarden.’

Hij wijst er nóg maar weer eens op hoe door de marktlogica het denken over wat het algemeen belang anno nu eigenlijk in zou moeten houden, is verschraald. De politiek neemt er volgens hem ook de tijd niet meer voor om daar goed over na te denken en te debatteren, want ook in de politiek is tijd geld geworden.
Hij legt nóg maar eens uit dat democratie niet hetzelfde is als de meerderheid beslist, maar dat democratie ook betekent dat rekening wordt gehouden met de rechten van minderheden. Wie dit allemaal te theoretisch klinkt: democratie betekent dat mensen kritiek mogen hebben, dat er tegenspraak kan, ja, zelfs moet zijn, dat die mensen niet als lastig mogen worden weggezet. 'Bestuurders hebben echter steeds meer de neiging tegenwicht en tegenspraak als tegenstand tegen daadkrachtig optreden te zien’, schrijft Tjeenk Willink.
Denk aan hoe lastig milieuorganisaties worden gevonden en dat daar dan vaak bij wordt gezegd: en ze krijgen nog overheidssubsidie ook! Tjeenk Willink zelf schrijft dat het geen toeval is dat juist nu stemmen opgaan om rechters niet meer voor het leven te benoemen. Ook die zitten de bestuurlijke daadkracht in de weg.

Dat politieke partijen niet meer duidelijk op hun netvlies hebben wat het algemeen belang is, komt volgens Tjeenk Willink door het ontbreken van het grote verhaal. Kreten zoals 'slagvaardig en samen’ van het CDA, 'eerlijk delen’ van de PVDA, 'orde op zaken’ van de VVD of 'vertrouwen op de eigen kracht van mensen’ van D66 zijn loos als ze niet zijn ingebed in een groter verhaal.
Dat het om het grote verhaal gaat of juist om het ontbreken daarvan, dat is op het moment bon ton in en om het Haagse. De Belgische socioloog Mark Elchardus had het er twee weken terug bij de jaarlijkse Den Uyl-lezing in Amsterdam ook over. Volgens Elchardus is 'het onbehagen (in de samenleving - avr) niet alleen het gevolg van concrete problemen, maar ook en vooral van een gebrek aan een verhaal dat de zorgen van de mensen koppelt aan een duidelijke opvatting over een betere samenleving’.

De commissie-Frissen die het verkiezingsdebacle van het CDA bij de parlementsverkiezingen onderzocht, zag als een van de oorzaken het ontbreken van 'een helder, samenhangend verhaal’ en schreef dat er behoefte is aan 'het hertalen van de christen-democratische uitgangspunten’. Omgekeerd zijn er politici die het succes van de PVV verklaren aan de hand van 'het grote verhaal’ van leider Geert Wilders, simpelweg samengevat als: de islam heeft het gedaan.
Doordenkend over dat grote verhaal waar menige politieke partij nu naar op zoek is, kom je in je hoofd in een straat terecht waarin je het gevoel bekruipt dat deze in een cirkel loopt en geen uitgangen heeft. Want er is geen notie meer van wat het algemeen belang inhoudt, omdat er geen inhoudelijk politiek debat is en er is geen inhoudelijk politiek debat, omdat er geen groot verhaal is, en er is geen groot verhaal, omdat er geen notie is van het algemeen belang en zo maar rond.

Tjeenk Willink waarschuwde voor de laatste keer. Veertien jaar was hij onderkoning, maar ook hij moest machteloos toezien hoe het politieke bestel volgens hem instabieler werd.