Machteloos

Emile Roemer vreest dat een kabinet van VVD en PvdA een boekhouderskabinet wordt. Maar misschien zal juist de oppositie gaan boekhouden, uit angst voor onzichtbaarheid.

Medium denhaag 41 2012 machteloos

Dat de politieke verhoudingen sinds de verkiezingen anders liggen, kun je ook aflezen aan wie er om wie lacht tijdens vergaderingen in de Tweede Kamer. Ergerden pvda-Kamerleden zich vóór die tijd aan arrogante opmerkingen van vvd-leider en minister-president Mark Rutte, nu wordt er in de pvda-bankjes gegrinnikt als hij vertegenwoordigers van politieke partijen die bij de kabinetsformatie langs de zijlijn staan tijdens het beantwoorden van hun vragen met een kluitje in het riet stuurt.

Als de gesprekken tussen vvd en pvda over een regeerprogramma goed blijven verlopen, staan deze twee partijen de komende jaren – als het kabinet de rit uitzit zelfs de komende vijf jaren – tegenover de rest van de Kamer. Weliswaar is het altijd moeilijk voor oppositiepartijen om een wig te drijven tussen coalitiepartijen die een stevige meerderheid hebben in het parlement, maar het zou in de nabije toekomst wel eens lastiger kunnen worden dan gewoonlijk.

Dat vvd en pvda samen een comfortabele 79 zetels in de Tweede Kamer hebben en geen derde partij laten aanschuiven aan de regeringstafel zoals de afgelopen achttien jaar steeds wel het geval was, speelt daarbij zeker een rol. Twee partijen is politiek overzichtelijker dan drie partijen die op één lijn moeten blijven. Ook zal vvd en pvda er veel aan gelegen zijn om het ontbreken van een meerderheid in de Eerste Kamer op te vangen door bij te nemen maatregelen al rekening te houden met wensen van deze of gene toekomstige oppositiepartij.

En precies daarin schuilt een van de belangrijkste redenen waarom oppositie voeren de komende jaren wel eens extra lastig zou kunnen worden. Want dat rekening houden met de wensen van oppositiepartijen is niet zo moeilijk. Veel van die partijen willen in grote lijnen wat vvd en pvda zullen gaan doen.

Het Herfstakkoord waar de twee gesprekspartners vorige week mee kwamen, was daar al een goed voorbeeld van. vvd en pvda schaften in dat tussenakkoord de impopulaire forensentaks en langstudeerboete af. Er waren weinig andere fracties in de Kamer die daar moeite mee hadden. Dat de mogelijk toekomstige coalitie­partners voor het begrotingsjaar 2013 aansturen op een overheidsschuld die niet boven drie procent uitkomt, kon inhoudelijk ook op grote instemming rekenen van andere fracties.

Er zat de aanstaande oppositiepartijen daardoor weinig anders op dan vvd en pvda te confronteren met eerder genomen maatregelen, gedane beloftes en eigen uitspraken. Had de vvd eerder niet ingestemd met die forensentaks en de langstudeerboete! De pvda vond de drie procent overheidsschuld dit voorjaar toch niet heilig? De vvd had toch lastenverlichting beloofd! De pvda wilde toch geen nullijn voor ambtenaren en ook geen btw-verhoging! De twee werd een spiegel voorgehouden, maar het schaamrood waarop de oppositie mogelijk had gehoopt kwam niet op de kaken.

vvd en pvda hebben een mantra: elkaar wat gunnen. Met dat geven en nemen en de verliezen die ze daardoor ieder op hun beurt moeten incasseren, pareren ze alle kritiek. Dat zal straks als er een eventueel compleet regeerakkoord ligt niet anders zijn. Bovendien zullen er ook in dat akkoord maatregelen staan waar dan weer deze, dan weer die oppositiepartij niet tegen zal kunnen zijn.

Neem de woningmarkt. Als de twee besluiten verder in te grijpen in de hypotheekrenteaftrek zal het grootste deel van de oppositiepartijen dat in principe toejuichen. Daar pleitten ze in hun verkiezingsprogramma’s immers zelf ook voor. Hetzelfde geldt voor het sociaal leenstelsel. Of voor het ingrijpen in de omvang van het zorgpakket van de awbz.

Wat de oppositiepartijen rest, is kritiek op de uitwerking van de maatregelen. Zelf zouden ze het net even anders hebben gedaan, juist wat sneller of wat langzamer, met wat meer of wat minder inkomensherverdeling, met of zonder compensatie voor ouderen. Uiteraard zal die kritiek dik worden aangezet, maar veelal zal het gaan om relatief kleine wensen. Dat er eindelijk wordt ingegrepen in al langer slepende vraagstukken zullen ze diep in hun hart alleen maar toejuichen, omdat ze dat zelf ook willen.

De angst die nu in Den Haag heerst, is dat een coalitie van vvd en pvda zal leiden tot een ‘nieuwe periode waarin boekhouden belangrijker wordt dan bouwen aan een duurzame en betere samenleving’, zoals SP-leider Emile Roemer dat vorige week verwoordde. Hij verwees daarmee naar de periode van Paars in de jaren negentig, toen tijdens de twee kabinetten van pvda, vvd en D66 ook de politiek uit de politiek zou zijn verdwenen en er geen sprake meer zou zijn geweest van beleid waar een ideologie achter zat. Roemer zei eigenlijk dat ideologie verdwijnt als twee politieke uitersten, zoals liberalen en sociaal-democraten, met elkaar gaan regeren. Omdat de verschillen tussen hen onoverbrugbaar zouden zijn, kunnen de twee volgens hem alleen maar boekhouden en geen grote stappen maken of hervormingen in gang zetten.

Maar het bijzondere van de komende jaren zou juist kunnen zijn dat dat laatste allemaal wel gaat gebeuren. Juist omdat er in de Kamer in grote lijnen over veel onderwerpen bredere overeenstemming bestaat. De oppositie zal, in de woorden van Roemer, dan zelf degene zijn die gaat boekhouden, om daarmee hier en daar nog wat veranderd te krijgen en vooral om te laten zien dat zij er als oppositiepartijen ook nog zijn.

Vooralsnog is het waarschuwen voor nieuwe Paarse puinhopen dan ook vooral de angst van oppositiepartijen dat het hun moeite zal gaan kosten fel tegenstand te bieden zonder zelf beschuldigd te kunnen worden van zwabber­beleid en gebrek aan inhoudelijke standvastigheid. Als ze dat laatste willen voorkomen zit er niks anders op dan zich constructief op te stellen. De politiek zou er wel wat saaier van kunnen worden. Maar was dat niet wat een groot deel van de kiezers wilde?