Sadik Al-Azm, De tragedie van de duivel

Machteloos islamdebat

Sadik Al-Azm

De tragedie van de duivel

Van Gennep, 288 blz., € 22,50

Voor de Syrische filosoof en islamkenner Sadik Jalal Al-Azm, die afgelopen vrijdag samen met Fatima Mernissi en Abdulkarim Soroush in Rotterdam zijn Erasmusprijs kwam afhalen, zijn doodsbedreigingen al veertig jaar niets nieuws. Helaas bleef zijn bijdrage aan het islamdebat voor een groot westers publiek al die tijd onzichtbaar. «Om bekend te worden in Europa of de VS kan een Arabische intellectueel tegenwoordig het best een Nobelprijs krijgen of zich door een islamist laten vermoorden», schrijft zijn Duitse collega en bewonderaar Stefan Wild in een inleiding op Al-Azms De tragedie van de duivel, een bundel van vijf grote artikelen van zijn hand.

Reeds in 1968 schokte de toen 34-jarige Al-Azm de Arabische wereld met zijn boek Zelfkritiek, waarin hij het verlies van de Zesdaagse Oorlog weet aan de nationalistische zelfbegoocheling van de Egyptische president Nasser. Voor het in deze bundel opgenomen artikel over de duivel, dat korte metten maakt met het obscurantisme van orthodoxe islamitische leerstellingen, belandde hij in 1970 bijna in de cel. Hij was ook een van de eerste Arabische intellectuelen die het in 1990 openlijk opnamen voor Salman Rushdie.

Het heeft westerse islamisten en arabisten decennia gekost om tot dezelfde inzichten omtrent de positie van de islam in de moderne wereld te komen als Al-Azm. In de jaren negentig verbaasde de auteur zich over hun schroom om het verzet van de orthodoxe islam bij de naam te noemen, namelijk «fundamentalisme».

Het machteloze «verbalisme» waarin het westerse islamdebat verstrikt zat, ontnam velen het zicht op wat er aan de hand was, aldus Al-Azm. In tegenstelling tot ons mythische beeld van de Oriënt is de Arabische economische en politieke praktijk al heel lang seculier. Het Arabische socialisme en (seculiere) nationalisme zijn er echter niet in geslaagd die praktijk wettelijk en democratisch te verankeren. Het huidige extremisme is geen inbreuk van de Middeleeuwen in de moderne tijd, maar juist een reactie op een falende emancipatie van moslims, zowel in de Arabische wereld zelf als in het Westen.

Dit inzicht wordt inmiddels verder uitgewerkt door westerse islamkenners als Bernard Lewis, Gilles Kepel, Fouad Zakaria en Olivier Roy. Het islamisme is niet begonnen aan een «opmars», het is juist op de terugtocht. De terreurdaden uit naam van de Profeet die voor wereldwijde opschudding zorgen, vormen een smerig, onoverzichtelijk maar hopeloos achterhoedegevecht. Ze zijn zeker geen voorbode van een nieuwe godsdienstoorlog. De vrees voor zo’n «botsing van beschavingen» is alleen al daarom overdreven, schrijft Al-Azm in een recent artikel in The Boston Review, «omdat beide kanten zo ongelijk zijn in macht, militaire kracht, productie capaciteit, efficiëntie, werkende instituties, rijkdom, sociale organisatie, wetenschap en technologie dat een botsing zonder noemenswaardig gevolg zal blijven. Zoals een literaire uitdrukking zegt: als een steen op een ei valt breekt het ei, en als een ei op een steen valt breekt het ei ook.»

De modernisering en secularisering van islamieten en de vlucht naar achteren van een minderheid die deze grote, vaak afgedwongen ommekeer niet kan of wil meemaken, zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ook in Nederland, waar bewindslieden sinds vorige week een toon aanslaan die voor de zoveelste maal het zicht op de problemen belemmert. Van Al-Azm kunnen we leren dat het mogelijk is zowel onbevangen als redelijk, intelligent en constructief te spreken over het probleem van de onvermijdelijke islamitische modernisering en de geweld dadige terugslag daarvan onder een minderheid.