Machteloos tegenover de barbaar

Rob Riemen, Adel van de geest. € 19,90

Het boek Adel van de geest is door critici met de grond gelijk gemaakt. Maar door alleen kritiek te leveren, slaat de intellectueel zichzelf de wapens uit handen.

Hoe rationeel is een mens in zijn voor- en afkeuren? De muziek van Frans Bauer, de woorddiarree van bestsellerauteurs als Kluun en Heleen van Royen en het misselijkmakende ‘amusement’ dat de tv over ons uitstort, ervaar ik als een persoonlijke belediging. Postmoderne filosofen die beweren dat er geen objectief verschil in kwaliteit bestaat tussen de Annunciatie van Fra Angelico en een in alcohol dobberende koeienfoetus van Damien Hirst, of tussen de koralen van Bach en het repertoire van de Toppers, mogen wat mij betreft te werk worden gesteld in de tinmijnen bij Magadan. Van een zeker elitarisme val ik dus niet vrij te pleiten, maar tegelijkertijd krijg ik jeukende uitslag als ik een tv-interview met George Steiner zie of het programma van de volgende Nexus-conferentie op de deurmat ploft. Er is een slag intellectuelen dat mij weerzin inboezemt, en dat ik doorgaans afdoe met de term ‘snobisme’.
Wellicht heeft dat iets te maken met mijn afkomst. Daarvan werd ik me voor het eerst bewust toen een vriendje van de middelbare school me zei dat mijn ouders weliswaar ontzettend aardig waren, maar ook wel erg ‘volks’. Sindsdien ben ik vastbesloten me daar niet voor te schamen, maar heb ik wel altijd geprobeerd uit te stijgen boven de cultuurloosheid van het ouderlijk milieu. Hoewel ik enige vorderingen heb gemaakt, blijft er altijd een achterstand ten opzichte van mensen die zijn grootgebracht in een omgeving waarin goed gevulde boekenkasten, schilderijen, concertbezoek en intellectuele discussies vanzelfsprekend waren. Misschien is het dus gewoon de kift.
Een iets welwillender verklaring zou kunnen luiden dat ik gewoon een afkeer heb van grote woorden, van de verheven positie en pretenties van sommige intellectuelen. Omdat nogal wat intellectuelen in de loop van de twintigste eeuw achter grote woorden en idealen aan holden, hebben zij vaak een dubieuze rol gespeeld.
Daarom gingen mijn nekharen ook overeind staan toen ik de aankondiging las van het boek Adel van de geest van Nexus-directeur Rob Riemen. Niet alleen het feit dat het in twaalf talen verscheen en uitbundig werd aangeprezen door beroemdheden als Mario Vargas Llosa, Jacques Attali en Ivan Klíma, maar ook de titel stemde mij sceptisch. Het begrip ‘adel van de geest’ klinkt mooi en verheven, maar is natuurlijk ook mateloos vaag. Verder is Riemen idolaat van Thomas Mann, wat op mij nogal overdreven overkomt.
Al met al begon ik dus te lezen met een stevig vooroordeel, dat aanvankelijk bevestigd werd door de uitbundige name dropping – die mij deed denken aan wat W.A. Paap in zijn sleutelroman Vincent Haman (1898) typeert als ‘uit Goethe-Dante-Vondelen gaan’ – en Riemens ietwat ijdele beschrijving van zijn band met de jongste dochter van Mann. Niettemin raakte ik geboeid. Riemen kan schrijven, zijn essay over Thomas Mann getuigt van een grote kennis van diens leven en oeuvre, en bovendien blijft hij kritisch.
Belangrijker echter is dat Rob Riemen uitvoerig stilstaat bij het belang dat Mann hechtte aan de onvergankelijke waarden die de mens uittillen boven de banale behoeftebevrediging, aan het ware, het goede en het schone – begrippen die niet ongestraft gerelativeerd kunnen worden.
Behalve aan Mann besteedt Riemen aandacht aan de ideeën van Socrates, Plato, Spinoza, Goethe, Herzen, Camus en de Italiaanse literator en verzetsstrijder Leone Ginzburg. Zij zijn volgens hem representanten van de adel van de geest, die ook tot uiting komt in de idealen van het klassieke humanisme die door Riemen worden samengevat als: in waarheid leven, schoonheid scheppen en recht doen. Fel keert hij zich tegen intellectuelen en kunstenaars die deze idealen relativeren. Zo haalt hij stevig uit naar ‘een omvangrijke groep vooraanstaande en spraakmakende intellectuelen’ die na de aanslagen van 11 september 2001 geen compassie toonden met de slachtoffers en hun nabestaanden en deze terreurdaad niet zagen als een aanval op onze beschaving, maar stelden dat Amerika en het kapitalisme dit over zichzelf hadden afgeroepen. Dit soort geluiden werd inderdaad gehoord, maar de door Riemen aangehaalde voorbeelden zijn helaas niet erg overtuigend.
Dit neemt niet weg dat Riemens opvatting dat intellectuelen niet alleen kritiek moeten leveren maar ook compassie moeten tonen, dat ze onze beschaving tegen de barbaren dienen te verdedigen, mij tamelijk onaanvechtbaar lijkt. Zoals ook zijn zoeken naar inspirerende en stimulerende denkers uit het verleden instemming verdient. Zo gebeurde het dat ik zijn boek, dat mij er onder meer toe zette Goethe en Mann weer eens uit de kast te halen, steeds sympathieker begon te vinden. En die sympathie werd nog groter toen ik enkele Nederlandse recensies las.
In Vrij Nederland werd Adel van de geest afgekraakt door Padu Boerstra, terwijl Hans Achterhuis het boekje in de Volkskrant met de grond gelijk maakte. Hun kritiek was dat Riemen wilde imponeren met grote namen die slechts door hem werden geparafraseerd. Achterhuis maakte, duidelijk denigrerend bedoeld, de vergelijking met Reader’s Digest, dat sterk ingedikte versies van belangrijke boeken uit de wereldliteratuur publiceert. Wat moet een mens, zo vragen deze critici zich af, met dergelijke als hapklare brokken gepresenteerde tweedehands literatuur? Waarom zou je Riemen lezen als je ook de originelen tot je beschikking hebt?
Dit is het klassieke verwijt aan de zogenoemde middlebrow-cultuur, zoals dat is verwoord door onder anderen Virginia Woolf en Dwight MacDonald. Terwijl het gewone volk, de lowbrows, zich tot de kraag volgiet met alcohol en meebrult met populaire liedjes, en de culturele elite van highbrows zich laaft aan hetgeen grote kunstenaars en denkers in de loop der eeuwen hebben gewrocht, zijn de middlebrows geestelijke middenstanders die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten en zonder veel inspanning willen meepraten over de ‘echte’ cultuur. Om maar niet ‘van de straat’ te lijken lezen ze recensies of samenvattingen van belangrijke boeken en waaien ze mee met elke modieuze wind. Voor de echte intellectueel, de echte cultuurliefhebber is er geen verachtelijker wezen dan de middlebrow.
De ware highbrow neemt geen genoegen met Reader’s Digest. Hij leest de grote schrijvers uit de klassieke oudheid, kent de belangrijkste dichters en denkers uit de Middeleeuwen en de Renaissance en beperkt zich niet tot literatuur en filosofie, maar leest ook politieke filosofen als Hobbes en Locke. Voor hem kent de natuurwetenschappelijke traditie vanaf Descartes geen geheimen. Hij leest niet alleen Spinoza, aangezien je het klimaat waarin deze schreef niet kunt begrijpen als je debatten tussen Leibniz, Malebranche en Arnauld niet kent, net als de vermaarde Querelle des Anciens et des Modernes.
Ik begrijp dat Boerstra en Achterhuis zich mateloos vervelen als zij in plaats van de originelen iets moeten lezen van iemand die mensen enthousiast probeert te maken voor deze grote dichters en denkers. Moeten wij dan in plaats van goede samenvattingen en inleidingen op de klassieken te lezen, en zo af en toe zo’n canoniek werk, ons maar beter beperken tot Kluun en Heleen van Royen? Is deze minachting voor de middlebrow eigenlijk niet het toppunt van snobisme?
Wellicht is hier nog iets anders aan de hand, en dat is een fundamenteel meningsverschil over de rol van de intellectueel. Voor Riemen is een intellectueel primair iemand die niet alleen nadenkt over onze cultuur, maar ook probeert duidelijk te maken wat het waardevolle van onze beschaving is en deze verdedigt tegen lieden die daar onverschillig overheen denderen. Omdat deze beschaving vooral iets is wat je moet voelen en ondergaan, loopt elke verdediging het risico uit te glijden over grote woorden, die als je er maar lang genoeg op klopt vanzelf hol gaan klinken. Riemen heeft het nogal eens over het ‘Europese humanisme’, andere waakhonden van onze cultuur nemen dikwijls het woord Bildung in de mond, en voor een sceptische intellectueel is het vrij gemakkelijk om te laten zien dat er op die idealen nog wel wat valt af te dingen. Maar deze sceptische intellectueel loopt ook een risico.
In zijn Nihilisme en cultuur (1960) laat Johan Goudsblom zien hoe het ‘socratische waarheidsgebod’, het onophoudelijk ter discussie stellen van zekerheden, kan ontaarden in nihilisme – een stelling waarvan het bewijs later door het postmodernisme geleverd werd. Door alleen maar kritiek te leveren, door almaar vraagtekens te plaatsen bij waarden en idealen die in onze beschaving een rol hebben gespeeld, bestaat het gevaar dat de intellectueel zichzelf de wapens uit handen slaat, zodat hij machteloos staat tegenover de barbaar die aan die beschaving helemaal geen boodschap heeft. In een tijd waarin de cultuur niet alleen wordt bedreigd door commercialisering en banalisering, maar waarin ook veel mensen achter een politicus aan lopen die zegt de ‘joods-christelijke traditie’ en de ‘westerse waarden’ te verdedigen maar er onophoudelijk blijk van geeft geen enkel benul te hebben waar hij het over heeft, dienen ook kritische intellectuelen, de echte highbrows, zich af te vragen of ze werkelijk alles – zowel de cultuur als de verdedigers ervan – moeten relativeren. Natuurlijk kun je kritische kanttekeningen plaatsen bij begrippen als ‘het ware’, ‘het goede’ en ‘het schone’, maar je moet je tevens afvragen of dit het juiste moment is.

ROB RIEMEN
ADEL VAN DE GEEST: EEN VERGETEN IDEAAL
Atlas, 187 blz., € 19,90