Madame Rosa

Het scenario van de moord op de 85-jarige holocaustoverlevende Mireille Knoll, doodgestoken en verbrand in haar appartement in een Parijse buitenwijk, lijkt een omkering van het script van La vie devant soi (1977). Voortdurend zie ik de bejaarde Simone Signoret als Madame Rosa voor me. In haar ‘joodse schuilhol’ onder een krottige banlieue-flat siddert ze decennia na dato nog altijd voor de Franse politie, die haar bij de razzia van 1942 in opdracht van de nazi’s afvoerde naar het Vélodrome d’Hiver.

Ook Mireille Knoll behoorde tot de ongeveer dertienduizend joden die in juli 1942 in dat beruchte wielerstadion onder erbarmelijke omstandigheden hun deportatie naar de vernietigingskampen moesten afwachten. Mireille wist te ontkomen, Rosa overleefde Auschwitz. Allebei brengen ze hun laatste jaren door in een onveilige omgeving: een smeltkroes van nationaliteiten, talen, huidskleuren en godsdiensten met alle heftige confrontaties van dien, vooral tussen joden en Arabieren.

Met La vie devant soi wilde regisseur Moshé Mizrahi laten zien hoe mensen in zulke omstandigheden plezierig samen kunnen leven door elkaar ondanks al hun verschillen te respecteren. Een illusie? Wensdenken? Zijn etnische groepen en religies gedoemd tot haat?

Het scenario van de film is gebaseerd op de gelijknamige roman waarmee Emile Ajar (pseudoniem van Romain Gary) in 1975 de Prix Goncourt won. Het boek lokte felle discussies uit wegens het impliciete pleidooi voor een multiculturele samenleving, door velen als onwenselijk dan wel onmogelijk beschouwd.

Mizrahi, een in Egypte geboren naar Frankrijk uitgeweken jood met de Israëlische nationaliteit die zelf in de banlieue woonde en als geen ander weet dat de werkelijkheid daar minder rooskleurig is dan in zijn film, moest zich verweren tegen het verwijt van ‘politieke correctheid’. In interviews liet hij weten dat La vie devant soi niet in de eerste plaats over vreedzame co-existentie tussen de joden en de Arabieren gaat, maar over de innige band tussen een oudere vrouw en een jongen. ‘Toevallig is de vrouw jodin en de jongen moslim. Het gaat over wat er gebeurt als mensen onder zeer moeilijke omstandigheden leven. In dat gezamenlijke lijden vinden ze elkaar vaak. Zoals Madame Rosa het zelf zegt: “Als je in moeilijkheden zit, maakt het niet uit of je jood of Arabier bent.” Ik geloof dat er een solidariteit bestaat tussen de mensen aan de zelfkant.’

‘Als je in moeilijkheden zit, maakt het niet uit of je jood of Arabier bent’

In de film wordt die solidariteit belichaamd door ex-prostituee Madame Rosa en de veertienjarige Berber Momo, die als peuter aan haar zorg werd toevertrouwd. In haar krappe flat vangt Rosa tegen betaling zowel joodse als moslimkinderen van haar voormalige collega’s op. Ze leven in voortdurende angst. Iedere keer als er wordt aangebeld zijn ze bang dat het de politie is die Rosa wil wegvoeren naar het Vélodrome d’Hiver, een drama dat ze steeds opnieuw herbeleeft.

Van alle pleegkinderen is Momo haar het liefst. Zij houdt hem op het goede pad en beschermt hem tegen de boze buitenwereld. Als zij, oud en ziek, de zes trappen naar haar appartement niet meer op kan, zorgt hij er op zijn beurt voor dat Rosa niet tegen haar wil naar een ziekenhuis moet. Hij verzorgt haar in de kelder van de flat, haar ‘joodse schuilhol’, waar ze omringd door religieuze attributen zonder angst voor deportatie, beschermd door Momo, vredig kan sterven.

Dat geluk was Mireille Knoll niet vergund. Haar lot lijkt een perverse spiegeling van dat van Rosa. Haar jonge islamitische buurman, die ze al sinds zijn geboorte kende, wordt ervan verdacht haar samen met een andere bewoner met elf messteken te hebben omgebracht. In plaats van haar te steunen, dreigde hij herhaaldelijk haar in brand te zullen steken. De politie wist ervan, maar deed niets.

Na haar dood zei haar zoon niet te begrijpen waarom iemand een oude vrouw vermoordt die geen geld heeft en in een sociale huurwoning woont. Nee, dat begrijpt niemand, totdat blijkt dat het een gerichte antisemitische terreuraanslag was. Als de moordenaars Mireille Knolls geschiedenis kenden – en dat ligt voor de hand – moet hun daad worden opgevat als een provocatie waarmee ze het streven naar vreedzaam samenleven van joden en moslims, zoals verbeeld in La vie devant soi, als verwerpelijke fictie op de brandstapel smijten.

Simone Signoret was al bang voor zo’n effect. Tot twee keer toe heeft ze de rol van Madame Rosa geweigerd, omdat het verhaal haar kitsch leek. Pas toen regisseur Mizrahi haar ervan overtuigde dat zij de enige was die kon voorkomen dat de film een sentimentele draak werd, hapte ze toe. En hoe! Dankzij haar fenomenale spel doet La vie devant soi tot op de dag van vandaag een moreel appèl op solidariteit. ‘Het is noodzakelijk om lief te hebben’, zijn de laatste woorden in de film.

‘Doch die Verhältnisse, sie sind nicht so’ (Bertolt Brecht).