‘Duurzame’ cacao uit Ghana

Made in Veghel

Zeven miljoen euro besteedt het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking aan ‘duurzame’ productieverhoging van cacao in Ghana. Dat is goed voor sommige boeren, maar vooral voor de Nederlandse cacao-industrie en leveranciers van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.

Medium gettyimages 502823296
Cacaoboeren helpen elkaar met de oogst © Melanie Stetson Freeman/ CSM / Getty Images

‘In de toekomst is chocolade misschien even duur als kaviaar en verdwijnt het helemaal uit de schappen’, klinkt de bezorgde stem van Katja Schuurman, terwijl het beeld laat zien hoe in een Nederlandse supermarkt de pakjes M&M’s één voor één uit de winkel verdwijnen. Het opmerkelijke angstvisioen is onderdeel van de documentaire For the Love of Chocolate, gesponsord door chocoladefabrikant Mars en ontwikkelingsorganisatie Solidaridad. De camera volgt Schuurman van de Mars-fabriek in Veghel naar cacao producerende regio’s in Ghana terwijl de actrice antwoord zoekt op de existentiële vraag hoe wij – westerlingen met een chocoladeverslaving – onze repen ook in de toekomst tegen de huidige prijzen kunnen consumeren.

Door de toenemende welvaart in opkomende economieën als China, India en Brazilië zal de wereldwijde vraag naar het luxeproduct chocolade enorm stijgen, is de waarschuwing van de documentaire uit 2013. Dat is potentieel goed nieuws voor de Nederlandse verwerkingsindustrie, die de grootste ter wereld is met een geschatte opbrengst van vijf miljard euro. Maar ook ontwikkelingsorganisaties kunnen er beter van worden, net als de arme Ghanese cacaoboeren zelf. Op voorwaarde dat iedereen de handen ineen slaat om het dreigende tekort aan cacao tegen te gaan. Die boodschap bleef niet beperkt tot een propagandafilmpje met Katja Schuurman. Het werd de afgelopen vier jaar officieel overheidsbeleid.

Met Nederlands ontwikkelingsgeld wordt sinds 2014 een programma gefinancierd in Ghana, dat twintig procent van de cacao op de wereld produceert. Verspreid over het land zijn commerciële centra gebouwd waar veertigduizend boeren kunstmest, pesticiden en cacaoplanten kunnen kopen en speciale trainingen kunnen krijgen van bedrijven. Het project kost veertien miljoen euro waarvan de helft vanuit het budget van ontwikkelingssamenwerking is ingebracht door de Nederlandse ambassade. De andere helft komt van de grote westerse cacaomultinationals Cargill, Touton, Olam en Ecom.

Het doel van de operatie is het verhogen van de cacaoproductie, waardoor de veelal arme Ghanese boeren een beter inkomen zullen krijgen. Dat is hard nodig: het gemiddelde daginkomen van een boer ligt op amper zeventig eurocent, ver onder de wereldwijde armoedegrens. Volgens minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is het publiek-privaat partnerschap een ‘schitterend voorbeeld’ van de combinatie van hulp en handel, de nieuwe ideologie op het ministerie. Met het uitbrengen van een gezamenlijke toost met een glas cacaodrank, op het fabrieksterrein van multinational Cargill in de Ghanese havenstad Tema, gaf ze op 23 juni 2014 het startsein voor het Cocoa Rehabilitation and Intensification Programme for Ghana, afgekort corip. ‘Nederland brengt de belangrijkste actoren bij elkaar om innovatieve oplossingen te vinden voor een meer duurzame cacaosector’, aldus Ploumen.

Het ontwikkelingsprogramma is exemplarisch voor het beleid van de kabinetten-Rutte I en II, waarin de focus op de vrije markt gepaard ging met de grootste bezuiniging op ontwikkelingshulp in de naoorlogse geschiedenis. Niet alleen Ghana, maar ook acht andere landen waarmee Nederland voorheen een hulprelatie had, van Ethiopië tot Indonesië, werden na het aantreden van minister Ploumen in 2012 bestempeld tot ‘overgangsland’. Projecten gericht op goed bestuur, educatie, gezondheid en milieu worden sindsdien versneld afgebouwd. Publiek-private partnerschappen gericht op economische groei krijgen prioriteit. Dat resulteert vooral in steun voor sectoren waarin Nederlandse bedrijven, kennisinstituten en maatschappelijke organisaties uitblinken, zoals (water)infrastructuur en land- en tuinbouw. De slogan van de Nederlandse ambassade in Accra luidt: ‘Holland – Ghana: Growing Together’.

Kan het effect van een bezuiniging van een miljard euro op ontwikkelingssamenwerking worden ondervangen door innige samenwerking met het bedrijfsleven? Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico onderzocht de afgelopen maanden voor De Groene Amsterdammer het Ghanese cacaoproject dat volgens de overheid, de ontwikkelingsorganisatie Solidaridad en betrokken Nederlandse bedrijven laat zien dat de nieuwe strategie ook echt werkt. We bezochten regionale centra in Ghana en spraken bestuurders, politici, tientallen cacaoboeren en andere betrokkenen.

De verduurzaming van de cacaosector, zo blijkt uit onze rondgang, is in elk geval big business voor Nederlandse ngo’s en bedrijven. De miljoenen euro’s die ten behoeve van duurzame handelsketens worden rondgepompt, zijn in eerste instantie profijtelijk voor de organisaties Solidaridad en Initiatief Duurzame Handel (idh), die de samenwerking met het bedrijfsleven vormgeven. Terwijl de meeste ontwikkelingsorganisaties flink werden gekort, heeft Solidaridad de komende jaren tachtig miljoen euro te besteden, deels in Ghana. Sinds 2008 ontving idh jaarlijks twintig miljoen euro subsidie voor het initiëren en begeleiden van de verduurzaming van allerlei internationale productieketens.

De inkomenspositie van de boeren blijkt echter door het Ghanese cacaoproject niet wezenlijk veranderd. De focus op productiviteitsverhoging is vooral ingegeven door het belang van de multinationals in de verwerkingsindustrie. Zij zijn bang voor een toekomstig tekort aan cacao, terwijl hun opslagplaatsen in Amsterdam nu al uitpuilen. In Ghana profiteren vooral ondernemende boeren; niet de armsten onder hen die de steun het hardst nodig hebben. Daarnaast profiteren ook de grote chemische concerns Syngenta en Monsanto (Bayer) van de ontwikkelingsgelden, zo blijkt in het veld. Meer ‘duurzame’ productie per hectare leidt tot hogere inzet van bestrijdingsmiddelen. Aan het gebruik daarvan wordt geen harde limiet gesteld, ook niet door het ‘duurzame’ label utz waaronder de chocolade wordt verkocht.

Ambassadeur Ron Strikker ontvangt ons hartelijk in de modern vormgegeven ambassade, bestaande uit drie verdiepingen en voorzien van een ruime tuin met tropische planten. Het ‘jonge, dynamische Ghana’ bevalt hem prima. Nederland is geen onbekende in Ghana. In de zeventiende eeuw verdreven Nederlandse kolonisten de Portugezen in de zogeheten Goudkust en maakten een fortuin met de internationale slavenhandel naar onder meer Jamaica en Suriname. Na de afschaffing van de slavernij werd cacao het belangrijkste exportproduct. Vandaag de dag verschaft die ongeveer een miljoen boeren werk en levert het land jaarlijks rond de twee miljard euro op aan deviezen. In Nederland ontwikkelde zich ’s werelds grootste cacaoverwerkingsindustrie. ‘Wij hebben een belang bij voldoende aanbod van cacao en het beter functioneren van de Ghanese cacaosector kan daarbij helpen’, zegt Strikker. ‘Dat moet gebeuren met respect voor het milieu en onder fatsoenlijke werkomstandigheden van de boeren.’

Vergroting van de cacaoproductie is bittere noodzaak voor Ghana, zegt Owusu Afriyie Akoto, minister van Voedsel en Landbouw in de onlangs aangetreden rechts-conservatieve regering. De 69-jarige bewindsman houdt zich aan casual Friday – het gebruik om een dag in de week lokale kleding te dragen – en is gekleed in een zwart-witte blouse met felblauwe patronen. Hij kijkt jaloers naar het buurland Ivoorkust, waar de industrie veel beter loopt. ‘Met hetzelfde perceel aan cacaoplantages produceren zij bijna twee keer zo veel.’ Grootschalige corruptie en smokkel van gratis verstrekte kunstmest zijn volgens hem de belangrijkste oorzaken van dit verschil. Wat gratis wordt weggegeven, wordt illegaal doorverkocht. ‘Je vindt de zakken met not for sale erop tot in Kameroen. Wij willen het voor een gesubsidieerde prijs aan de boeren verstrekken.’ Aan het door Nederland gesteunde programma betaalt de Ghanese overheid niet mee, maar via haar eigen cacao-organisatie Cocobod is ze wel bij de uitvoering betrokken.

‘Deze plantage deed het niet goed. Er staan veel oude bomen die geen vrucht dragen. Kijk!’ Stephen Kobna wijst naar een jong groen stekje van twintig centimeter waar je in de gauwigheid zo overheen zou lopen. We zijn vlak bij een van de servicecentra in het West-Ghanese district Sefwi Wiaswo op acht uur rijden van de hoofdstad. De 58-jarige boer maakt dankbaar gebruik van het ‘centrum van Cargill’, zoals hij het ontwikkelingscentrum noemt. Het afgelopen jaar heeft hij maar liefst 2500 jonge cacaoplanten gekocht. Voor hem is de veertig pesawes (een paar eurocent) per plantje goed op te brengen.

‘Inmiddels weet iedereen dat zo’n keurmerk niet genoeg garantie geeft voor de duurzaamheid van de cacao’

Aan zijn uiterlijk – groen hemdje boven versleten spijkerbroek, de voeten gestoken in een paar slippers – is niet te zien dat Kobna voor Ghanese begrippen een grootgrondbezitter is. Hij heeft in totaal zeventien plantages van ongeveer twee hectare per stuk. De productie van cacao is uiterst arbeidsintensief, legt hij uit. De vruchten groeien aan de bast van de boom. Eenmaal rijp worden ze doormidden gehakt waarna het vruchtvlees met de cacaobonen eruit wordt gehaald. Na zes dagen fermentatie op de plantage worden de bonen gedroogd in de zon. Hij maakt daarvoor gebruik van tientallen boerenarbeiders. Dat loont, maar vooral voor ondernemende boeren als Kobna zelf. De productie op zijn plantages is in de afgelopen jaren flink gestegen. Boeren zonder landeigendom die hun arbeidskracht verhuren, profiteren er nauwelijks van.

Op economisch gebied doet Nederland al heel veel ter verbetering van de positie van cacaoboeren in Ivoorkust en Ghana, schreef minister Ploumen begin dit jaar in een Kamerbrief. Uit onderzoek blijkt dat cacaoboeren nog steeds in armoede leven, erkent ze, en dat is zorgwekkend. De door Nederland ondersteunde projecten en programma’s moeten daar onder meer verandering in brengen door boeren te helpen uit meerdere bronnen hun inkomen te halen. Het Ghanese project leidt boeren op ‘om alternatieve handelsgewassen en voedingsgewassen te produceren’ en helpt hen bij ‘het opzetten van kleine bedrijven om een alternatieve inkomstenstroom te genereren’.

Medium gettyimages 502823310
Cacaobonen op transport naar vooral Amsterdam © Melanie Stetson Freeman/ CSM / Getty Images

Maar van die gewenste diversificatie is bij de rondgang langs de centra weinig te merken. Mercy Gbidi, landbouwdeskundige bij Touton, neemt ons mee naar een demonstratieplantage in het centraal gelegen dorpje Edubiase. Na ruim een half uur rijden over wegen vol gaten en kuilen staan we bij een studieveld. ‘We hebben dit opgezet als een menukaart’, zegt hij, wijzend naar genummerde cacaobomen. Verspreid over de plantage worden verschillende landbouwtechnieken toegepast: van onkruid wieden, snoeien van de bomen en gebruik van compost tot toevoeging van kunstmest, pesticiden en een combinatie daarvan. ‘Hier bekijken we wat de opbrengst is per investering, zodat ook de boer die weinig te besteden heeft kan zien wat het hem kost om meer uit zijn plantage te halen.’

De cacaohandelaar heeft ook een veldje aangelegd met verschillende groenten die boeren kunnen kopen om naast hun cacao te verbouwen om zo extra inkomsten te verdienen; dat is immers een van de ontwikkelingsdoelen van het project. Maar behalve bakbanaan, tomaten en wat kleine paprika’s is er nog niet veel te zien. ‘We komen hier helaas niet helemaal aan toe’, laat hij verontschuldigend weten.

Daarnaast is er de Nederlandse wens dat het cacaoproject bovenal ‘duurzaam’ is. Nederlanders hebben immers de trend tot verduurzaming in de cacaosector in gang gezet en ons land heeft er een aparte bedrijfstak aan overgehouden. Het bekende keurmerk Fairtrade – bij de oprichting in 1988 onder de naam Max Havelaar het eerste fairtrade-keurmerk ter wereld – is Nederlands. Ook het grotere UTZ Certified komt uit Nederland. De bedrijven die in Ghana en Ivoorkust controleren of de ‘utz-boeren’ de richtlijnen van het keurmerk volgen, hebben hun hoofdkantoor in Rotterdam.

Het was ook de Nederlandse overheid die in 2010 samen met idh het initiatief nam voor wat uitmondde in de Chocoladewerkgroep. Cacao-industrie, supermarkten, ngo’s, keurmerken en brancheorganisaties spraken daarin af te komen tot ‘honderd procent gegarandeerd duurzame cacaoconsumptie’ in Nederland in 2025. Te bereiken door middel van keurmerken als utz, Fairtrade en Rainforest Alliance. Dat laatste is nu al achterhaald, geeft idh-woordvoerder Daan de Wit toe: ‘Toen we hiermee in 2010 begonnen dachten we dat keurmerken genoeg garantie zouden geven voor de duurzaamheid van de cacao. Inmiddels weet iedereen dat alleen zo’n label niet genoeg is.’

En dan nog: wat wordt bedoeld met duurzaam? In elk geval niet ecologisch duurzaam. ‘Duurzaamheid is altijd een reis, geen eindpunt. Het kan slechts stap voor stap worden bereikt’, legt Britta Wyss Bisang, programmadirecteur bij utz uit. Boeren die aangesloten zijn bij het keurmerk moeten zich aan regels houden wat betreft pesticidengebruik. Zo is er een lijst met verboden middelen en moeten boeren bij de toepassing van bestrijdingsmiddelen kiezen voor chemische producten die het meest effectief zijn tegen ziektes, maar het minst giftig voor mens en milieu, aldus Wyss Bisang. Harde eisen aan de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen en kunstmest die in de cacaoteelt door utz-boeren gebruikt mogen worden ontbreken echter.

Zoals blijkt. In elk regionaal centrum kunnen de cacaoboeren bestrijdingsmiddelen kopen van Syngenta en Monsanto, het bedrijf dat in maart dit jaar is overgenomen door Bayer. Cacaohandelaar Cargill nodigt de concerns uit om speciale trainingen te geven aan de boeren, zodat die niet langer slechte kwaliteit bestrijdingsmiddelen kopen op de lokale markt maar goedgekeurde chemische producten gaan gebruiken. Een nadeel is dat boeren wordt geleerd dat hoge productiviteit gelijk staat aan zo veel mogelijk toedienen van bestrijdingsmiddelen, vindt de 33-jarige Ghanees Kwabena Assan Mends. Hij is een van de weinige lokale ondernemers die op eigen houtje een corip-centrum bestieren. Daar biedt hij ook chemische producten aan, maar met tegenzin, zegt hij: ‘De grond raakt verzadigd waardoor je steeds meer nodig hebt.’

Dat de nadruk op productiviteit vooral goed uitpakt voor de chemische bedrijven wordt bestreden door programmamanager Eric Agyere van Solidaridad. ‘Vergeet niet dat veel boeren hun oogst zien mislukken door insectenplagen en ziektes. Het toedienen van bestrijdingsmiddelen is bittere noodzaak.’ Over de vraag hoe duurzaam dit uiteindelijk uitpakt, bestaat echter ook bij de betrokken bedrijven twijfel. Een van de medewerkers op het gebied van duurzaamheid wil er alleen op anonieme basis over geciteerd worden. De macht van de chemieconcerns is te groot, vindt hij: ‘De snelste manier om meer cacao te halen uit de plantage is het toedienen van veel bestrijdingsmiddelen, maar wat zijn de gevolgen voor de bodem op lange termijn? En maken we boeren niet te afhankelijk van deze producten?’ Volgens Willem-Albert Toose, die in Ghana werkt als directeur van de Nederlandse hulporganisatie Agro-Eco, krijg je de ‘hoogste productiviteit op een plantage door compost te mengen met chemische middelen’. Hij schrikt ervan dat producten van Monsanto verkrijgbaar zijn in de corip-winkels. ‘Zij hebben geen oog voor het belang van de boer.’

Compost maken is ook het doel van ondernemer Mends, die met zestig man personeel cacaoplantages overneemt van oude en zieke boeren in ruil voor de helft van de opbrengst. Met Nederlandse subsidiegelden heeft hij geïnvesteerd in het opzetten van een organische compostfabriek. Midden tussen de cacaoplantages is een betonnen fabriekshal gebouwd waar de bedorven groente en fruit van de markt en de mest van dieren naartoe wordt gebracht. Het biologische afval is na een behandelproces van vijf weken omgezet tot compost die hij ook op de markt wil brengen. ‘De andere partners binnen corip vinden het heel interessant wat hier gebeurt, maar zelf zoiets opzetten willen ze niet. Wij zijn uiteindelijk de enige grassroots-organisatie in het project.’

‘Wij zijn het kind dat naar de keizer wijst en zegt dat hij geen kleren aan heeft.’ Als kritische onderzoeker Antonie Fountain het podium betreedt op het Chocoa Festival in Amsterdam wordt de zaal opvallend stil. Even daarvoor hebben de ‘sustainability managers’ van zo ongeveer alle grote multinationals op dit congres, eind februari 2017 in de Beurs van Berlage, presentaties gegeven van hun duurzaamheidsprogramma’s voor Afrikaanse cacaoboeren. Barry Callebaut, ’s werelds grootste leverancier van cacao en chocolade, spreekt over zijn plan om in 2025 alleen nog duurzame chocolade te produceren. Wereldleider nummer twee Cargill laat zien hoe het de productieomstandigheden van boeren in Ghana helpt verbeteren met het ‘Cargill Cocoa Promise’-programma. Chocoreus Mondelez, eigenaar van merken als Lu en Côte d’Or, legt uit dat het met zijn ‘Cocoa Life’-trainingsprogramma al duizenden boeren heeft bereikt. Gezamenlijk hebben de bedrijven ook nog de duurzame coalitie Cocoa Action gevormd. De tijd van het ‘chocolade-bashing’ moet maar eens over zijn, is de boodschap vanaf het podium. De industrie werkt keihard aan het uitbannen van kinderarbeid en het trainen van cacaoboeren.

‘Het is geen hogere wiskunde, mensen: betaal de boeren gewoon iets meer, dan praten we daarna wel weer verder!’

Maar dan spreekt Fountain. Als oprichter van het voice-netwerk, een samenwerkingsverband van hulporganisaties dat de cacaosector kritisch volgt, is hij voor velen een bekend gezicht. Al die duurzaamheidsprogramma’s zijn te prijzen, zegt hij, maar ze gaan óók allemaal voorbij aan het grootste probleem van de cacao-industrie: veel te lage prijzen voor de boeren. Nog steeds. ‘Er is nu een heel diepe crisis gaande, boeren hebben soms niet eens genoeg geld voor een maaltijd per dag! De makkelijkste manier om een arm persoon te helpen is door hem een klein beetje meer te betalen voor het product dat hij maakt. Het is geen hogere wiskunde, mensen: betaal de boeren gewoon iets meer, dan praten we daarna wel weer verder!’

Zijn harde woorden ontlokken wat ongemakkelijke lachjes, maar ook groot applaus. Fountain legt de vinger op de zere plek: wat zijn al die duurzaamheidstrainingen en labels eigenlijk waard als de boer nog steeds een hongerloon krijgt? Nick Weatherhill, directeur van de in Zwitserland gevestigde organisatie International Cocoa Initiative benadrukt dat trainingsprogramma’s gericht op hogere productie juist schadelijk kunnen zijn voor de boeren. De verhoogde druk kan leiden tot meer kinderarbeid op de cacaoplantages in plaats van minder. ‘Het is zorgelijk dat, ondanks alle mooie beloftes, de kinderarbeid in Ivoorkust de afgelopen jaren juist enorm is toegenomen en in Ghana maar met een heel klein percentage is afgenomen.’ Zijn powerpoint toont cijfers van de laatste metingen: er werken nog altijd meer dan twee miljoen kinderen onder zeer slechte omstandigheden op cacaoplantages in West-Afrika.

Het is een cruciale denkfout van de overheid om duurzame handelsketens te willen bereiken door ontwikkelingsgeld te geven aan projecten geleid door multinationals. Anna Laven,expert op het gebied van duurzame cacao, legt uit waarom. Ze is net terug van een reis naar Ghana. Onze overheid, vat ze samen, steunt grote bedrijven met als argument dat als zij verduurzamen, de positieve impact op de markt veel groter is dan wanneer alleen middelgrote en kleinere bedrijven dat zouden doen. Maar de overheid ziet niet in dat juist bij die kleinere bedrijven er veel meer ruimte is voor innovatie en duurzame verandering.

‘Het zit niet in de genen van grote cacaobedrijven om te denken als een social enterprise, waar geld verdienen niet het hoofddoel is. Dat is logisch, maar mijn verwachtingen zijn daarom ook niet hoog. Als je multinationals een voortrekkersrol geeft in verduurzaming, kun je inderdaad veel mensen bereiken. Maar hoe duurzaam is het uiteindelijk en hoe wordt die boer er beter van? En hoe eerlijk is dit tegenover andere, ook meer lokale, bedrijven? ’ Volgens Laven is inmiddels duidelijk dat deze methode van ‘verduurzamen’ niet goed werkt. ‘Het treurige is dat er heel veel geld in omgaat maar dat er na al die jaren niks wezenlijks veranderd lijkt te zijn.’

Ton Dietz, directeur van het Afrika Studie Centrum en Ghana-expert, benadrukt dat het niet zozeer de cacaomultinationals zijn die voor subsidie aankloppen bij de Nederlandse overheid. ‘Het is eerder andersom’, vertelt hij te midden van zijn met Afrikaanse prints versierde kantoor in Leiden. ‘Voor die bedrijven is de subsidie niet nodig maar mooi meegenomen. Door aan te haken op al bestaande duurzaamheidsinitiatieven van grote bedrijven kan minister Ploumen de Tweede Kamer laten zien: “Kijk eens hoe goed we bezig zijn!” En dan heeft ze meteen allerlei data, aangeleverd door de multinationals om dat te illustreren.’ Taco Terheijden, duurzaamheidsmanager van Cargill Cocoa and Chocolate, zegt het op zijn eigen manier: ‘Ons belang is dat het corip-programma ook bijdraagt aan een goede dialoog met de Ghanese overheid en daar kan de ambassade een zeer nuttige rol in spelen.’

Wie nog denkt dat er een groot tekort is aan cacao door de stijgende vraag uit Azië moet eens meelopen met Dick de Bruin, directeur van veembedrijf CWT Commodities, een van de plekken in de Amsterdamse haven waar rauwe cacaobonen worden opgeslagen. De Amsterdamse haven biedt ruimte aan een derde van de wereldvoorraad. ‘Een klant heeft deze hele loods gehuurd, daar gaat tot twintigduizend ton in en dat zijn bergen van dertien meter hoog.’

Hij komt al tientallen jaren in Afrika, wat ook te zien is bij het betreden van zijn kantoor. Op de deur hangt een donker houten welkomstbord waarop twee olifanten met hun slurven de gouden letters ‘Dick’s Office’ omlijsten. Binnen versieren Afrikaanse schilderijen en beelden de muren en vloeren, in de hoek staat een putter met drie golfballen.

De loodsen in Amsterdam dragen allemaal namen van plekken in Ghana, zoals Tema (havenstad), Kumasi (cacaoregio) en Accra (hoofdstad). De weg zelf heet de ‘Accraweg’, een gebaar van toenmalig burgemeester Job Cohen aan diens bezoekende ambtgenoot uit Accra in 2005. Gehuld in een oranje overall en een hoed tegen de regen wandelt De Bruin door zijn loodsen, af en toe een praatje makend met zijn werknemers die de zakken met cacaobonen vervoeren in vorkheftrucks. ‘Zoals je ziet is er op dit moment een overschot aan cacao, waardoor de opslagloodsen behoorlijk vol zitten. Je kunt wel zeggen dat de zaken goed gaan.’

Verderop in de Zaanstreek kunnen ze ook niet klagen. ‘Wij staan maar twee keer per jaar stil, met Kerst en oud en nieuw. Voor de rest zijn wij dag en nacht aan het produceren.’ Klaas Hidde Kuipers, fabrieksmanager voor Cargill in Wormer, vertelt enthousiast hoe ‘zijn’ fabriek dagelijks tonnen cacaomassa verwerkt tot cacaoboter en cacaopoeder. De penetrante zoet-zure geur van cacao is in de Zaanstreek soms op kilometers afstand te ruiken. Op de Zaan zelf is er een bijna archaïsch ritueel: drie keer per dag vervoeren bootjes het halfproduct cacaomassa over de rivier naar Wormer. Daar wordt het in de fabrieken ‘De Eenhoorn’ en ‘De Mol’ omgewerkt naar cacaoboter en cacaopoeder, belangrijke bestanddelen in chocoladeproducten.

Het proces van cacao verwerken is in de negentiende eeuw in de Zaanstreek uitgevonden door Casparus van Houten. Sindsdien is er permanent gemoderniseerd. Op een enkele onder de cacaopoeder bedolven werknemer na (‘kan soms gebeuren tijdens het schoonmaken’) zijn er in de fabriek weinig mensen te zien. Vrijwel alles verloopt automatisch via persen, molens en inpakmachines. Vervolgens wordt de verwerkte cacao naar grootgebruikende klanten gebracht, zoals Mondelez, Nestlé en Mars.

Aan het begin van de piramide staan de miljoenen veelal kleine cacaoboeren. Zij moeten zorgen voor voldoende aanvoer van bonen en via het project in Ghana wordt een klein deel van die boeren bereikt. Maar aan wat op de lange termijn het beste is, wordt onvoldoende aandacht gegeven, concludeert directeur Ton Dietz van het Afrika Studie Centrum. Ghanezen moeten meer verdienen aan cacao via de toegevoegde waarde van het product. Nu verschepen ze bijna al hun cacaobonen rechtstreeks van de boer naar Nederland en verdient ons land jaarlijks gemiddeld twee miljard dollar méér aan de export van cacao dan Ghana zelf.

De ontwikkeling naar een grotere cacao-industrie in Ghana is onontkoombaar, denkt Dietz. ‘Over twintig of dertig jaar kijken we naar een heel andere sector waarbij het grootste deel van de productie niet hier, maar in West-Afrika plaatsvindt’, is zijn overtuiging. De multinationals weten dat heus wel maar proberen dat proces zo lang mogelijk te rekken. ‘Laatst moest ik tijdens een chique diner spreken voor allemaal ceo’s uit de cacaosector, allemaal witte mannen uit Europa en Amerika. Ik vroeg: waar is de captain of industry uit Ghana of Ivoorkust? Ze gaven toen toe: die zit hier straks heus wel aan tafel. Maar nu nog even niet.’

Terug in de Ghanese hoofdstad Accra lopen we een gigantische supermarkt binnen. Het schap met chocolade is rijk gevuld met bekende producten: KitKats, Smarties, Snickers en Bounty’s. We pakken een reep van Mars en kijken achter op de verpakking. In kleine witte letters staat daar ‘Made in Veghel’.


De reis naar Ghana is mogelijk gemaakt door subsidie van het Postcodeloterijfonds van Free Press Unlimited. Dit stuk is mede ondersteund door Stichting 1877