Madeleine 2.0

Er zou een woord moeten bestaan voor die typische sensatie bij het verlaten van een bioscoop. De aftitelingsmuziek klinkt nog, en je bent je ineens op zo'n half gênante manier bewust van andere bezoekers, zodat je de nabespreking en het oordeel nog even uitstelt tot buiten.
Daar is het donker, terwijl het nog licht was toen je de zaal in ging. Op het vochtige asfalt glinsteren koplampreflecties onwaarschijnlijk helder en kleurrijk. Een jongen op een fiets passeert, met een meisje achterop dat een gigantische schemerlamp vasthoudt. Haar lach klinkt in surround sound. Een taxi raast ze voorbij. Door de achterruit kijk je uit op een kaal achterhoofd.
Op de stoep van de bioscoop komen al die indrukken een kort moment verscherpt binnen, heeft alles kortstondig een aureool van avontuur. Die schemerlamp is van een ex en die kale is voor een louche miljoenendeal op weg naar een havenloods.
Een paar uur lang heeft de film in je hoofd allerlei tunnels, wegen en gangen uitgegraven die nog minuten na afloop open liggen. Maar ze zijn niet gestut. Bij de kleinste windvlaag van de werkelijkheid (‘zo, gaan we nog ergens wat drinken?’) - die functionele wereld van netwerk van routes, dienstregelingen en locaties - storten die gangen in. Reset. Neurale netwerken tuimelen terug in hun fabrieksinstelling. De film verschrompelt tot een halve melodie, twee of drie scèneflarden, een herinnering met één sfeer.
Mij fascineert die voorafgaande korte en labiele mentale staat enorm. Ik vermoed dat die ook voor het schrijven van vitaal belang is en ben op zoek naar methoden om haar kunstmatig op te wekken. Zonder afhankelijk te worden van drugs, die toch maar een achterdeur zijn en bovendien juist schrijfvijandige bijwerkingen hebben als concentratieverlies, vermoeidheid en verslaving.
Vreemd genoeg treedt mijn begeerde toestand ook op voorbij de bagagecontrole in vliegvelden. Even ben je met een hoofdknikje van een beveiliger onschuldig bevonden, tot je eigen verrassing. Samen met de morele last blijft ook je vertrouwde thuiswereld achter je, jenseits van de detectiepoort. Licht, alsof je al opgestegen bent, zweef je door de taxfreehallen. Maar ja, om nu voortdurend vliegreizen te boeken om een boek op de rails te krijgen, dat is wel erg kostbaar.
Misschien is ontkoppeld een passende benadering voor die mentale staat. Je brein is nog aan het schakelen tussen twee modi, en even ronkt hij in z'n vrij. Muziek kan dan een redelijk alternatief zijn voor vliegreizen en bioscopen. In het verleden heb ik al eens succesvol geëxperimenteerd met de combinatie koptelefoon - Domenico Scarlatti - tramraam - drukke stad.
Laatst moest ik voor een boek-in-wording weten welke nummers er in de top-veertig stonden tijdens de Tweede Golfoorlog, in de winter van 1990 en 1991 dus. Als je een eeuw eerder leefde en Simon Vestdijk of zo heette, dan moest je daarvoor afreizen naar bibliotheken en archieven, waar je een dag zoet was. Nu zijn er andere kanalen, via welke je bovendien meteen kunt luisteren naar Ice, Ice, Baby of Sadeness Part 1 van Enigma ('Sade, dis-moi… Sade, donne-moi…’). Prachtig allemaal, ook al is het verschrikkelijke kutmuziek.
En toch was het niet waar ik naar op zoek was. Ik wist dat er een specifieke klank bestond, die als het ware de soundtrack moest zijn bij het hoofdstuk dat ik schreef. Feitelijk ging het alleen om de gitaarrifjes van de eerste maten, die precies pasten bij die koude winter en die ik toen ook veel in mijn hoofd heb gehad.
Ik probeerde van alles uit, en ontdekte vooral dit: Prousts madeleine is online gegaan. Dat gesop met koekjes in bloesemthee is hopeloos ouderwets. Voor iedereen van rond mijn leeftijd volstaat het afspelen van Smells Like Teen Spirit op een laptopje om een halve middelbareschoolperiode terug te roepen. Iedereen die een gitaar kon vasthouden speelde die openingsakkoorden. Here we are now, entertain us. Maar wacht eens, de releasedatum van Nevermind was september 1991.
Goed, maar wat dan te denken van Under the Bridge van de Red Hot Chili Peppers? Sometimes I feel like I don’t have a partner… Twee muisklikken en een heel seizoen is hervonden. Het is alleen het verkeerde seizoen, een zomer, uit een verkeerd jaar, 1992.
Weken later hoor ik het nummer ineens op de radio. Het blijkt helemaal niet uit 1991 te zijn, maar is uitgebracht toen ik min drie was. Het komt van het album Goats Head Soup van The Rolling Stones en heet doodeenvoudig Winter.
Goed, maar daarmee is alleen een stroom herinneringen op gang gebracht. Zelfs Proust moest ze daarna nog vorm en bloed geven, boven het particuliere uit tillen, misschien zelfs aanlengen met fictie.
Hoog tijd voor een vliegreis.