Madeleineboek

Ooit moet ik Aldous Huxleys roman Point Counter Point hebben gelezen. Hij staat in een beduimelde Penguin-editie in mijn boekenkast en de omslagillustratie ervan is me door het vele openslaan nog altijd vertrouwd. Maar van de intrige van het boek, laat staan de strekking, herinner ik me niets meer. Alleen twee details zijn me bijgebleven. De beschrijving van een troosteloze hotelkamer-voor-een-uur, die door een neonreclame aan de gevel afwisselend zwoel-rood en naargeestig-groen beschenen wordt. En het snobisme waarmee een van de bijfiguren uit liefde voor Chinees porselein haar hond naar haar favoriete dynastie vernoemd had en zelfs bij het terugroepen-in-het-park de apostrof in T’ang hoorbaar liet meeklinken.

Die twee observaties hebben alle vergetelheid overleefd. Maar er is nog iets. De titel ervan, het omslag, en deze twee details brengen onherroepelijk het levensgevoel terug van de lang vervlogen zomer waarin ik het boek las. Een vakantie met vrienden, in een nog half communistisch en nog niet verscheurd Joegoslavië. De moeizame onderlinge verhoudingen. Een landschap dat ik op die reis gezien moet hebben, de geur van de eenpansgerechten op de camping.

Zo wordt een boek onwillekeurig zijn eigen madeleine. Want Point Counter Point is niet de enige lectuur die dwars door alle vergetelheid heen de ervaring van vroeger jaren op bijna fysieke wijze heeft weten vast te houden. Ook de verhalen van Guy de Maupassant die ik ooit las onder de verzameltitel Boule de suif hebben dat vermogen. Waar dít ene verhaal, over een meisje dat als ‘Ragebol’ door het leven ging, precies over ging, is me al lang ontschoten. Vaag bijgebleven is me alleen een andere vertelling: over een prostituee met syfilis die hardnekkig met de vijand naar bed bleef gaan – uit louter patriottisme, zoals ze zelf verklaarde.

Maar al die flarden en titels – beroofd van hun verhaal en plot – weten wel het gevoel te doen herleven van de mateloze leesgierigheid waardoor ik mij toen leiden liet. Opnieuw zie ik het hele panorama van de literatuur voor me liggen als een uitnodigend landschap waarvan ik zéker weet dat ik er alle paden van zal verkennen. En wederom ervaar ik de tintelende verrassing van die belofte – en het gelukovergoten gevoel van uitverkorenheid dat mij daarbij overvalt. Dat laatste is de constante in alle madeleine-momenten van mijn leesgeschiedenis, grotendeels geconcentreerd in de begintijd van mijn literaire ontdekkingstocht. Het is alsof ieder boek terugwijst naar het ogenblik waarop de hele boekenwereld nog een onuitputtelijk rijk van mogelijkheden was. Als voorschot daarop kocht ik bij een antiquaar voor een appel en een ei het oeuvre complète van Émile Zola, waarvan ik zelfs nu nog de muffe geur kan ruiken. Dat oeuvre, eenmaal gelezen, zou de eerste serieuze stap zijn in de verovering van de literatuur.

Het Verzameld Werk is nu eenmaal het altaar van de lezende dilettant en culturele nouveau riche. Met dit ontegenzeglijke bewijs van zijn belezenheid hoopt hij zich het burgerrecht te verwerven in de wereld die hij als een vreemde betreedt. Pas wanneer hij – zoals de Autodidact in Sartres Walging – niets meer ongelezen zal hebben gelaten, hoopt hij er zich thuis te kunnen voelen. Als eenmaal zijn eigen lezing compleet zal zijn, weet hij zich veilig tegen iedere blik die twijfelt aan zijn verblijfsrecht in die hoge wereld.

Van dat verlangen moet mijn lezen indertijd bevangen zijn geweest. En langzamerhand moet het verdrongen zijn geraakt door het onthutsende besef dat dit van begin af aan een hopeloze onderneming was geweest. Aanvankelijk kon de eindeloosheid daarvan misschien nog worden weggestreept tegen de ogenschijnlijke eindeloosheid van de eigen levensloop. De dood was nog ver en de weg ertoe geplaveid met alle boeken van de wereld.

Maar nu de tijd zo zoetjesaan begint te dringen, wordt mijn lezen gedwongen tot kieskeurigheid. De generositeit waarmee ik aanvankelijk ieder boek ter hand nam, maakt plaats voor de berekening: is het de tijd en moeite nog wel waard? En zo herinnert elk boek tenslotte aan de gretigheid van de eindeloze lezer die ik ooit geweest moet zijn. De titels van nu zullen mij niet meer bijblijven met de madeleine-geur van de belofte, maar met die van de ontgoocheling.

Zelfs de meeste boeken in mijn eigen boekenkasten zal ik niet meer lezen. Wat ooit verlokkend leek wordt nu verwijt. Hun ‘Lees mij!’ helpt niet meer in een landschap dat steeds voller en steeds wijder blijkt en waartegenover het eigen leesvermogen zich steeds onmachtiger voelt. De wegen naar de horizon zijn nog altijd met boeken geplaveid, maar de passen worden almaar korter.