Madonna’s in Maassluis

Maarten ’t Hart schreef een nadrukkelijk niet-hedendaagse roman © Gerard Wessel

Temeer, welhaast, stoutmoedig, heus, vrouwmens, heremetijd, allemachtig, ommezien, etablissement, mettertijd, aldaar, waarachtig, altoos.

Het zou een rijtje voorbeelden kunnen zijn van wat op scholen ook wel boekentaal wordt genoemd: ouwelijke uitdrukkingen die nog wel worden opgeschreven, maar die vrijwel niemand meer in de mond neemt. Maar nee, al deze woorden komen zonder ironie uit de verteller van De nachtstemmer, de negentiende roman van Maarten ’t Hart (1944) en zijn eerste sinds Verlovingstijd (2009). Hij is een kalende man van middelbare leeftijd met de absurde naam Gabriel Pottjewijd, die zijn geld verdient als orgelstemmer. Normaal gesproken werkt hij in de omgeving van Heiligerlee, zijn woonplaats in het oosten van Groningen, maar aan het begin van dit verhaal brengt een bijzondere opdracht hem naar een havenstadje in Zuid-Holland. Hoewel de plaatsnaam niet wordt vermeld, is op basis van de beschreven kerken, rivieren en straten vast te stellen dat het gaat om Maassluis, waar ’t Hart zelf geboren is.

Gabriel is een merkwaardig figuur. Hij beschouwt zichzelf als een ‘einzelgänger’, leeft dan wel in de jaren tachtig van de vorige eeuw, maar bevindt zich geestelijk in het verleden: hij spreekt en denkt in archaïsmen, en zijn referentiekader bestaat vrijwel geheel uit dode schrijvers (J. van Oudshoorn, J.C. Bloem, F. Bordewijk) en componisten, Bach in het bijzonder. Daarnaast heeft hij het gereformeerde geloof van zijn jeugd afgewezen, maar is hij eigenlijk geen echte kerkverlater: het grootste deel van Gabriels leven speelt zich immers nog altijd in gebedshuizen af.

In Maassluis is dat de Groote Kerk, waar het Garrels-orgel nodig gestemd moet worden. Binnen het verhaal dient Gabriels bezoek aan deze plek vooral om de hoofdpersoon met de buitenwereld te confronteren. In de eerste hoofdstukken stuit hij al op een bont gezelschap havenarbeiders, schriftgeleerden, herbergiers en geestelijken, waarmee Gabriel gewillig maar toch wat ongemakkelijk een reeks gesprekken aangaat.

Na zich te hebben uitgekleed, hult hij zich in de kleding van haar overleden man

De belangrijkste ontmoeting vindt vlak voor het orgel plaats. Gabriel krijgt te horen dat hij zal worden bijgestaan door een ‘verstandelijk gehandicapt meisje’ dat de toetsen kan indrukken terwijl hij stemt. In de gaanderij valt zijn blik voor het eerst op zijn assistent Lanna en haar Braziliaanse moeder Gracinha: ‘Waar ik ook op had gerekend – toch niet dit, deze wonderlijke madonna’s, een al wat oudere vrouw van een jaar of 45 met mat, olieachtig glanzend zwart haar dat in een eigenaardige wrong half achter het brede gezicht was weggeborgen, en de vrije val van datzelfde haar van het meisje, van de jonge vrouw toch eigenlijk, die onmiskenbaar de dochter was van de donkerharige dame, want sprekend op haar leek, met net zo’n breed gezicht met wat schuinstaande ogen.’

De orgelstemmer is onmiddellijk geïntrigeerd door de krachtige uitstraling van de vrouw en de exotische geruchten en verhalen die haar omringen. Wanneer vervolgens blijkt dat Lanna in werkelijkheid allerminst een zorgenkind is, en ook nog eens prachtig kan zingen, neemt de aantrekkingskracht van moeder en dochter alleen maar toe. In een reeks stemsessies en daaropvolgende lunches laat ’t Hart zijn hoofdpersoon steeds dichter bij Gracinha komen. Ze voeren voorzichtige, onhandige gesprekken waarin Gabriel meer over haar achtergrond te weten komt, en die hem helpen om zijn fantasieën af te stemmen op de realiteit. Onder de oppervlakte van het gemoedelijke contact ligt nog een betekenisvol psychologisch verwantschap: Gabriel en Gracinha hebben allebei hun partner verloren.

’t Hart heeft de ontwikkeling van deze verhouding kalm en evenwichtig beschreven. Hij vestigt de aandacht op de kleine gebeurtenissen en gedragingen van de weduwe en weduwnaar, en speelt af en toe verdienstelijk met het spanningsveld tussen het incomplete gezin en de vrijer; twee puzzelstukjes die soms wel, maar zeker niet altijd goed lijken te passen. Dat krijgt een hoogtepunt wanneer Gabriel na een val in het water aanklopt bij de moeder en dochter. Na zich beschroomd voor Gracinha te hebben uitgekleed, hult hij zich in de kleding van haar overleden man: ‘Het ondergoed paste goed, het overhemd eveneens, maar de eerste broek die ik probeerde was iets te wijd.’ Ook de grote schoenen weet Gabriel niet helemaal te vullen. Met dat soort gevatte, bijna achteloze symboliek weet ’t Hart deze stemmige roman ook vaak genoeg iets opgewekts te geven.

Het wordt net te lichtvoetig wanneer nog een subplot wordt geïntroduceerd. Enkele bewoners van Maassluis nemen aanstoot aan de vrijpostigheid van de vreemdeling, en gaan over tot het versturen van anonieme dreigbrieven. Gabriel wordt zelfs achtervolgd, en zo ontspint zich een korte detectiveachtige verhaallijn, inclusief een echte Scooby Doo-ontknoping, die zo afgezaagd is dat hij verder geen toelichting of duiding behoeft. Zodra het mysterie is opgelost keert ’t Hart weer snel terug naar de psychologische kern van het verhaal, waardoor het uiteindelijk niet echt ontspoort.

Mensen die lezen om inzicht te verkrijgen in de hedendaagse menselijke conditie en tijdgeest, of zoeken naar vernieuwende literatuur, zullen weinig aan De nachtstemmer beleven. Daarvoor is deze roman te nadrukkelijk niet-hedendaags, misschien zelfs ouderwets. Maar zij die gevoelig zijn voor klassieke, verzorgde literaire vertellingen zullen in dit boek een zowel luchtige als emotionele variant herkennen op het verhaal dat Maarten ’t Hart sinds de jaren zeventig met verve weet te vertellen: dat van de buitenstaander die ernaar verlangt te worden opgenomen in iets groters. En dat verlangen wordt in deze jongste variant ‘waarachtig’ nog vervuld ook.