Economie

Madrassa’s

Deze week presenteerden de jonge honden van Rethinking Economics een rapport over de samenstelling van de curricula aan de Nederlandse economiefaculteiten. Leidende vraag van het onderzoek: leiden de Nederlandse economiefaculteiten hun studenten voldoende op voor de kritische rol die zij later als econoom in de Nederlandse samenleving zullen vervullen?

Het antwoord is ontluisterend. Sterker dan in ons omringende landen is in Nederland economie een monotheoretische discipline en wordt de Nederlandse economiebeoefening gedomineerd door mathematica. En groter dan elders is in Nederland de kloof tussen economische werkelijkheid en economische theorie: het model wordt voor de realiteit geschoven.

Wat cijfers. Pakweg negen tiende van de economie-opleidingen bestaat uit neoklassieke-economiecursussen. Dat betekent dat het startpunt niet de rommeligheid van de wereld is maar de aanname dat markten perfect zijn, dat actoren volledig geïnformeerd zijn en dat ze rationele, nutsmaximaliserende wezens zijn. Uiteraard leren studenten ook dat reëel bestaande markten, huishoudens, individuen en ondernemingen zelden aan dit theoretische ideaalbeeld voldoen. Maar deze empirische anomalieën worden geduid als marktimperfecties waardoor de beleidsaanbevelingen steevast neerkomen op het verder perfectioneren van reeds bestaande markten.

Ook blijkt dat bijna de volledige onderwijstijd op gaat aan het erin rammen van kwantitatieve onderzoeksmethoden en econometrische mathematica. Sinds Tinbergen overheerst in de Nederlandse economie de schijnzekerheid van de natuurwetenschappen. In een economie vol machtsverschillen, terugkoppelingsmechanismen, onkwantificeerbare variabelen en zichzelf waarmakende profetieën is dat de dood in de pot. Het is beter om grofweg te snappen dan er precies naast te zitten. De crisis heeft dat afdoende bewezen. Desondanks overheerst aan Nederlandse economiefaculteiten de geest van de ingenieur. Alsof de economie een waterleidingnet is.

De ­economie is geen waterleidingnet

Bovendien is driekwart van de cursussen losgezongen van de economische werkelijkheid. Het betekent dat de toekomstige beleidsmakers veel weten van abstracte wiskundige theorema’s en weinig van wetenschapsfilosofie, de geschiedenis van het economisch denken, economische instituties en economische geschiedenis.

De gevolgen laten zich raden: groepsdenken op ongekende schaal. De aspirant-econoom gaat de neoklassieke madrassa’s in als geëngageerd burger, die wil leren over de financiële crisis, bancaire balansen, ontwikkelingsvraagstukken, toenemende ongelijkheid en klimaatverandering. En komt eruit als gelijkgeschakelde technocraat die van alles de prijs en van niets de waarde weet. En die de ideologische vooronderstellingen van de neoklassieke economie – markten weten beter – als morele en theoretische toetssteen beschouwt voor zowel beleidsaanbevelingen als academische oordeelvorming.

Het verklaart de constante radicalisering van de neoliberale revolutie. Als alle economische beleidsadviseurs van mening zijn dat markten alleen falen door externe verstoringen is verdere marktwerking altijd het antwoord op het falen van bestaande markten. En dus krijgt de burger als antwoord op de begrotingsrecessie van 2010-2015 vrijhandelsverdragen als TTIP en CETA voorgeschoteld. En is het antwoord op de ravage van de Europese huizenzeepbellen het optuigen van een Europa-brede markt voor verpakte hypothecaire leningen. Meer markt als universele oplossing voor marktproblemen.

Het verklaart ook de respons van de crème de la crème van de Nederlandse economiebeoefening op uitdagers als Kate Raworth. Zij liet zien dat de dominante beelden van onze economie vals zijn en grote (ecologische) schade veroorzaken. Ontkenning, minachting en kleinering waren haar deel toen zij in januari een rondje langs de velden deed. Kennelijk woog het beschermen van de eigen discipline zwaarder dan het meezoeken naar effectieve paradigma’s om de grote vraagstukken van onze tijd te lijf te gaan.

Het verklaart ook het voorlopig geringe succes van Rethinking Economics in het daadwerkelijk veranderen van economische curricula. Overgewaaid uit Manchester is het weliswaar een wereldwijde studentenbeweging geworden die zich inzet voor een radicale revolutie in het economische denken, die revolutie laat vooralsnog op zich wachten. En dat na een delegitimerende crisis van inmiddels tien jaar oud. Het zal iets te maken hebben met het feit dat studenten passanten zijn en dat de staf zijn carrière dankt aan trouw aan het paradigma. Maar ik ben bang dat ideologische verblinding belangrijker is. In de madrassa’s van het neoklassieke denken is wetenschap een geloof dat bestaat bij de gratie van het constant reciteren van de neoklassieke leerstellingen. Maar economie is te belangrijk om aan neoklassieke gelovigen over te laten.