Janna Levin
Een bezetene droomt van turingmachines
Uit het Amerikaans (A Madman Dreams of Turing Machines, 2006) vertaald door Peter van Huizen
Contact, 239 blz., € 22,90

Er zijn al niet zo veel bètawetenschappers die schrijven, laat staan dat ze romans schrijven en dan ook nog over de bètawereld, zoals Janna Levin, een jonge Amerikaanse kosmologe. De turingmachine is de kolossale elektrische rekenmachine, de voorloper van de computer, die de Engelse wiskundige Alan Turing (1912-1954) na de oorlog bouwde. Minstens zo beroemd werd hij als degene die in de oorlog de codes van de Duitse Enigma-machine kraakte. Van gewone mensen begreep hij geen snars. Dat deed zijn tegenspeler in de roman ook nauwelijks: de wiskundige Kurt Gödel (1906-1978), muurbloempje tijdens de wekelijkse zittingen van de Wiener Kreis in een Weens koffiehuis, 1931. Hij zou zichzelf doodhongeren in het Amerikaanse Princeton, uit angst voor vergiftiging en, ook misschien, uit wraak voor miskenning. Turing pleegde zelfmoord door, toen hij wegens homoseksueel gedrag veroordeeld en gecastreerd was, een appel te eten die hij elektrisch vergiftigd had. Beide grote geesten hadden elkaar in Princeton één keer kunnen treffen. Ze hebben op elkaars stellingen gereageerd, maar in de roman gaat dat vooral via Wittgenstein, met wie Turing verbaal in de clinch lag. Hoe vreemd ook, geen van deze drie is de madman. Is een genie automatisch gestoord? De fixatie op hun ontdekkingen deed deze mannen kennelijk geen goed. Beiden hadden een vrouw in de buurt die de normaliteit vertegenwoordigde, al was dat in het geval van Gödel meer de banaliteit.

Als de alfalezer de illusie mocht hebben te worden ingewijd in de theorieën van Gödel en Turing komt hij of zij bedrogen uit. Aan de stilistische tierlantijnen te oordelen, dient dit boek vooral literaire oogmerken. Had Levin maar echt het verhaal van deze geesten of liever van hun ontdekkingen verteld. Turing krijgt nu een jeugd die in een rechte lijn naar de chemische castratie leidt en Gödel is al van meet af aan een paranoïde autist. De madman is Janna Levin, die drie keer even het woord neemt. Dat het, zoals de ontwerper in een soort balloons op het omslag aangeeft, ‘een verhaal (is) over gecodeerde geheimen en psychotische waanvoorstellingen over wiskunde en oorlog verteld door een natuurkundige geobsedeerd door de levens van Turing & Gödel; een compleet verzonnen verhaal maar helemaal waar’, is domweg gelogen – en dat voor een verhaal dat draait om de paradox van de leugenaar die zegt: dit is een leugen. Nee, als Janna Levin als een bezetene van turingmachines had gedroomd, zou ze een ander boek geschreven hebben: dit is een even brave als schematische parallelbiografie.