Mag er dan niets meer?

JELLE ZEEDIJK & PAULUS VAN BORTEL
BEDROGEN DOOR DE ELITE? Pelckmans/Klement, 211 blz., € 19,95

Toen NRC Handelsblad Theodore Dalrymple’s Leven aan de onderkant (2004) besprak, werd hierbij een foto van Martin Parr afgedrukt. Zoals zo vaak bij het werk van Parr is het een foto die zo scherp en meedogenloos is dat hij zich onwillekeurig op je netvlies etst. Je ziet een jong stel, dat met de kinderen een dag uit is en dat zich na een dag vol pret en vertier te goed doet aan patat en milkshakes. Op zich niets bijzonders, ware het niet dat de bankjes waarop het jonge gezin is neergeploft tussen onbeschrijflijke rotzooi staan. Uitpuilende vuilnisbakken, afval op de grond. Deze ouders lijken het echter niet op te merken, zoals ze ook nauwelijks oog hebben voor hun kinderen, die verveeld met het smerige fastfood zitten te klieren.
Wat de foto zo pijnlijk maakt, is dat je onmiddellijk denkt dat het met die kinderen waarschijnlijk nooit meer goed zal komen, dat hun leven al net zo treurig en afstotelijk zal zijn als dat van hun ouders. Wat dit betreft had de beeldredactie geen betere foto kunnen vinden om het boek van Dalrymple te illustreren. De positie van de onderklasse is volgens hem immers uitzichtloos, omdat deze mensen geen enkel idee hebben hoe ze hun positie kunnen verbeteren. En dat is de schuld van de progressieve elite, omdat die in de twintigste eeuw is gaan verkondigen dat er geen normatief verschil is tussen de eigen elitaire cultuur en die van de onderklasse, en dat zelfbeheersing en arbeidsethos ouderwetse deugden waren die alleen dienden om mensen ‘eronder’ te houden. Daarnaast heeft men de mensen ‘aan de onderkant’ geleerd dat zij slachtoffers zijn van ‘het systeem’. Door de onderklasse te voorzien van uitkeringen en tegelijkertijd geen enkele poging meer te doen het volk te ‘verheffen’, heeft de elite de minder gefortuneerden aan hun lot overgelaten.
Bovendien is de elite zelf al lang teruggekomen op het hedonisme en antiautoritarisme van de jaren zestig en zeventig, gelooft zij zelf niet meer dat hoge en lage cultuur volstrekt gelijkwaardig zijn en legt zij bij de opvoeding van de eigen kinderen de lat heel hoog. Uiteraard gaat men hier ook naar pretparken en eet men wel eens patat, maar daar staan andere zaken tegenover. Kinderen die door hun ouders echter nooit worden meegenomen naar een museum en thuis zelden gezond eten krijgen voorgeschoteld, zullen dat later uit zichzelf ook niet snel doen. En omdat de elite het ‘elitair’ en ‘paternalistisch’ vindt om hen daar op te wijzen, pleegt die elite volgens Dalrymple verraad.
Dalrymple’s cultuurkritiek snijdt tot op zekere hoogte hout. Tegelijkertijd wekt ze wrevel op, omdat ze iets gemakzuchtigs heeft en soms een weinig oprechte indruk maakt. In deze bundel, die opent met een essay van Dalrymple, wordt het dalrympliaanse cultuurpessimisme op verschillende manieren tegen het licht gehouden, waardoor de zwakke plekken zichtbaar worden.
Om te beginnen wordt duidelijk dat Dalrymple vaak overdrijft. Dat doet hij zowel in zijn beschrijving van de ‘onderklasse’ en de ‘elite’ – wie behoren nu eigenlijk precies tot deze groepen? – als in zijn tirade tegen de welzijnswerkers, die er volgens hem voor zorgen dat de onderklasse blijft zwelgen in het slachtofferschap. Uit verschillende bijdragen blijkt dat de praktijk van het welzijnswerk tegenwoordig heel wat minder naïef en eenzijdig is. Bovendien benadrukken Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens, die Dalrymple’s analyse voor een groot deel onderschrijven, dat een ‘links beschavingsoffensief’ niet alleen wenselijk maar ook mogelijk is.
Verschillende auteurs, onder wie Hans Boutellier en Bart Pattyn, wijzen op een fundamentele denkfout van Dalrymple. Evenals veel andere conservatieven koestert hij een groot wantrouwen tegen de staat, die mensen afhankelijk zou maken, en pleit hij voor de eigen verantwoordelijkheid van mensen. De verzorgingsstaat deugt niet en dient plaats te maken voor de tucht van de markt. Waarbij vergeten wordt dat veel van de kwalen die Dalrymple terecht aan de kaak stelt juist veroorzaakt zijn door de steeds verder gaande commercialisering. Alleen al de hedendaagse tv laat zien dat het morele en culturele peil dankzij de komst van de commerciële zenders niet bepaald omhoog is gegaan.
Het probleem met de meeste conservatieven is niet alleen dat ze een geïdealiseerd beeld van het verleden koesteren, maar ook dat ze een scherp oog hebben voor de misstanden en ontsporingen van de moderne samenleving, terwijl ze, omdat ze ervan overtuigd zijn dat de samenleving niet ‘maakbaar’ is, zichzelf de wapens om hiertegen te strijden uit handen hebben geslagen. Hierdoor laten zij anderen het vuile werk doen en staan ze langs de zijlijn te roepen dat het een zootje blijft. Het paradoxale karakter van het conservatisme is dan ook het meest treffend getypeerd door Benno Barnard: ‘een gefluisterde schreeuw dat alles moet blijven zoals het nooit is geweest’.