‘Mag het iets menselijker?’

Al acht jaar maak ik een radioprogramma waarin de nadruk ligt op ‘moraal’. Soms een keer per week, soms twee keer per week, tegenwoordig drie keer per week. Altijd gaat het over goed en fout, het kwaad, manieren van denken. We praten - met vaak een wisselend gezelschap van intellectuelen - over de moraal in boeken, films en toneelstukken; bijna alle Nederlandse filosofen heb ik aan mijn tafeltje gehad en over alle filosofen ter wereld hebben we wel eens gesproken. Kant, Schopenhauer, Arendt - we gingen ervoor zitten tot we goed begrepen wat ze bedoelden te zeggen.
Moraal.
Ik zou er specialist in moeten zijn.
Maar na zo'n pakweg vijfduizend uur radio, plus wat televisie en zo'n zeshonderd boeken, wetenschappelijke rapporten en essays die ik heb gelezen of 'angelesen’, sta ik op het kruispunt van twee conclusies waartussen ik moet kiezen.
Of ik ben te dom om moraal goed te doorgronden, of moraal is iets wat je tussen aanhalingstekens moet schrijven, omdat het niet bestaat. Ik neig naar het laatste.
'Moraal’.
De afgelopen jaren heb ik gezien hoe 'de moraal’ verschoven is.
En dat is ook de reden dat ik twijfelde of die moraal wel bestond. De Tweede Wereldoorlog viel weg als toetssteen. Tot mijn grote genoegen stortten ideologieën als het communisme, de sociaal-democratie en de christen-democratie ineen, maar tegelijkertijd kwam het islamfascisme opzetten. Ik merkte voor mijn microfoon hoe mensen in verwarring raakten.
Woorden als 'beschaving’ en 'fatsoen’ keerden terug in het debat; en iedere week reflecteren we, en reflecteerden we op onze eigen situatie: zitten we in een tijd van transitie ja of nee, zit er vooruitgang in onze beschaving, of juist niet, gaan we naar de duistere Middeleeuwen of staan we aan de vooravond van de Verlichting?
Ik maak rare discussies mee. Als ik denk dat we een goed programma hebben gemaakt, krijg ik mailtjes van luisteraars in de trant van: 'Mag het iets menselijker, alsjeblieft?’ Of: 'Wat is er fout aan schuldgevoel als mij dat motiveert om mensen te helpen? Had u maar eens schuldgevoel.’
Persoonlijk vind ik dat misschien wel het vreemdste: dat je meent dat je visie op moraal steeds steviger en beter wordt, maar dat tegelijkertijd de verwijten toenemen dat je immoreler denkt en handelt.
'Mag het iets menselijker, alsjeblieft.’ Zo'n mail houdt me wakker, omdat het me juist om dat menselijke gaat.
Zou ik echt immoreler zijn geworden in de loop der jaren?
Wanneer iemand mij zou mailen: 'Mag het iets hoopvoller, alsjeblieft’, dan zou ik dat kunnen begrijpen.
Naarmate ik meer meen te weten over moraal, des te wanhopiger voel ik mij. Soms vraag ik mij af of dat genetisch is of niet, of dat het gewoon komt door de ouderdom. Of dat het domweg voortschrijdend inzicht betreft.
De vrijheid die ik het hoogst acht en die steunpilaar is van mijn moraal is aan het verbrokkelen. Dertig jaar geleden was ze nog sterk, maar elke dag hoor ik de brokken er vanaf vallen; af en toe wordt er iets gelijmd met spuug, maar ik weet dat dat niet houdt.
Afgelopen week was ik om heuglijke redenen in Parijs.
Op het Gare du Nord werden we geconfronteerd met bedelende Roma. Het was echt vervelend, neem dat van mij aan. En ik dacht meteen: wat is nu moreel juist?
En op hetzelfde moment wist ik: ik heb helemaal geen zin in die vraag. Ik wil snel naar quai 14, want daar stopt onze Thalys. Maar schuldgevoel en verbijstering en kwaadheid bleven met elkaar strijden.
Ik gaf snel een losse euro om er vanaf te zijn.
Maar dat was niet genoeg, werd me duidelijk gemaakt.
Op zo'n moment kun je alle moraliteit snel verliezen.