De Kroatische kunstenaar Vladimir Dodig Trokut, juni 2016 © anti muzej Vladimir Dodig Trokut

Een paar jaar geleden begon ik aan een tekst over een groep Kroatische kunstenaars die in de jaren zestig actief was in de kustplaats Split. Een belangrijk onderdeel van het verhaal was de relatie van de groep tot een van hun leden, ene Vladimir Dodig Trokut, die de acties van de groep graag in verband bracht met het mysticisme terwijl de rest hier niets mee van doen wilde hebben. Ik heb de tekst nooit afgemaakt, mede door Trokut. Alles aan hem was mij beginnen tegen te staan: zijn spirituele geneuzel, zijn gekdoenerij en vooral zijn sensatiebelustheid nadat twee leden van de groep zelfmoord hadden gepleegd. Het lukte mij niet langer om hem te benaderen als kunstenaar. Ik zag hem eerder als een bemoeizuchtige hippie, een opportunist die de nagedachtenis van de acties en de groep had bezoedeld waardoor het geheel ook minder serieus te nemen viel.

Tot ik enkele jaren later een YouTube-video tegenkwam van een Kroatische journalist die een stoep vol spullen filmt. ‘We zijn geheel toevallig gestuit op de nalatenschap van Trokut die is achtergelaten voor het grofvuil’, zegt de journalist terwijl hij met één hand een volgestouwde verhuisdoos opentrekt. Na het uiteenvallen van de groep begin jaren zeventig was Trokut zich gaan richten op zijn project antimuzej, een rariteitenkabinet dat hij onderhield in zijn appartement in Zagreb. In 2018 overleed Trokut. In 2020 vonden zijn erven het welletjes en belandde zijn gehele verzameling op straat. ‘Schandalig’ staat er in de titel van de video.

Het fragment greep mij aan. Hoewel ik was gestopt met Trokut serieus te nemen, betekende dit niet dat hijzelf en anderen uit de lokale kunstscene dat ook hadden gedaan. Net als de journalist vond ik de aanblik van de opeengestapelde spullen een schande. Wie had er besloten dat deze spullen weg mochten als dat overduidelijk niet was wat de kunstenaar had gewild? Misschien zat er toch wel iets van waarde tussen? Iets van kunsthistorisch belang?

Daarnaast was er bij mij door het zien van de video een schuldgevoel gaan knagen. Een terugkerend angstbeeld begon zich in mijn hoofd af te spelen: de telefoon gaat. ‘Ik bel over je vader’, zegt de stem aan de andere kant. Zo begint het. De mogelijke scenario’s die ik mij vervolgens inbeeld hebben altijd een soortgelijk filmisch karakter, zij het in verschillende mate van intensiteit. De ene keer ga ik meteen over tot het regelen van allerlei zaken, de andere keer is het verdriet daar te groot voor. Wat altijd gelijk blijft is het denken aan de spullen, al die spullen, dat zowel het verdriet als de regelwoede verzwaart.

Net als Trokut begon mijn vader in de jaren zestig aan zijn loopbaan als kunstenaar en hij werkt vandaag, op bijna tachtigjarige leeftijd, nog steeds. De spullen waar ik het over heb staan in een historisch pand in Amsterdam. Het zijn voornamelijk boeken, maar er zitten ook kunstwerken, affiches, maquettes, oude en nieuwe apparatuur tussen. Samen zijn de spullen goed voor twee verdiepingen en een riante zolder vol. Het huis bestaat meer uit boekenkasten dan uit muren, zelfs in het trappenhuis is er haast geen lege ruimte meer te zien. De kasten reiken van de vloer tot aan het plafond. Overal zijn provisorische plankjes tussen gemoffeld om het kastoppervlak te vergroten. Sommige planken staan op instorten. Op die zwakke plekken lijkt er in geen decennia meer een boek te zijn verschoven.

Op zolder en in de logeerkamer staan boeken en dozen uit andermans verzamelingen. Spullen die zijn gered of gedoneerd na het overlijden van sociaal of artistiek betrokken kennissen en vrienden. De spullen in de achterkamers staan te wachten om geïnventariseerd te worden. Ze wachten in dit huis waar al het andere, al het eigene, op hetzelfde wacht en dat al heel lang doet.

Als mijn vader in Zagreb had gewoond, dan had hij naast de journalist voor het huis van Trokut gestaan om diens spullen te redden. Al meer dan twintig jaar is hij bezig met het bouwen van een computersysteem waarmee hij zijn eigen en andermans verzamelingen wil catalogiseren.

Het voornaamste doel van dit systeem is dat het niet alleen de spullen an sich maar ook hun relatie tot elkaar in kaart brengt. Niet de individuele boeken in de kast, maar in welke volgorde zij daarin staan. Mijn vaders boeken staan niet op alfabet, maar zijn geordend volgens uiteenlopende principes die per kast kunnen verschillen. Zo, vindt hij, staan spullen niet alleen bij hem thuis maar ook bij zijn vakgenoten.

Als kunstenaar kun je niet vroeg genoeg beginnen met het bijhouden van je archief

En al staan de boekenkasten daar gewoon op alfabet, dan nog doet de verzameling in zijn geheel een uitsprak over het interessegebied van de verzamelaar. Na het overlijden van een bevriende schrijver in 2009 maande mijn vader bijvoorbeeld diens weduwe om niets maar dan ook niets aan de boekenkasten van haar man te veranderen. Een deel van de Nederlandse literatuurgeschiedenis dan wel de persoonlijke geschiedenis van de schrijver zou daarmee verloren gaan. Na jaren, waarin het systeem waarmee de boeken geïnventariseerd zouden worden maar niet afkwam, heeft de weduwe de collectie iets teruggebracht in omvang. Ze wacht, naar mijn weten, nog altijd op verdere instructies.

Bij een recent overlijden van een bevriende architect ging het catalogiseren echter vlot. Samen met zijn dochter en een groepje vrijwilligers ging mijn vader systematisch te werk door bouwtekeningen, schetsen, boeken en correspondentie te fotograferen en te nummeren. Nadat een deel van de verzameling van de architect was vastgelegd werden er zelfs enkele dingen weggedaan.

Met zijn systeem wil mijn vader niet alleen de eigen en andermans fysieke verzameling inzichtelijk maken, hij legt er al enige tijd zijn digitale voetafdruk mee vast. Over de jaren vergaarde hij naast papieren ook tienduizenden digitale boeken. Deze bestanden slaat hij op in een zelfgemaakte database waarin hij ook screenshots, opgeslagen afbeeldingen en links bewaart van alles wat hij online doet. Dit kan variëren van onderzoek voor zijn kunstprojecten tot aan alledaagse zoekopdrachten en persoonlijke correspondentie. Alles is even belangrijk en vloeit wonderlijk in elkaar over zoals ook gedachtestromen dat doen. De database is het hart van het catalogiseringssysteem van mijn vader: de plek waar zijn eigen archief samen moet komen met dat van anderen. Het is ook de blauwdruk van zijn hersenen: een plek die zich nooit van buitenaf zal laten kennen.

Toen ik zelf op de kunstacademie zat, liep er dagelijks een conciërge met zijn afvalkarretje door de ateliers. ‘Is het kunst of mag het weg?’ riep hij. En, ook al was iets geen kunst, mocht het meestal toch niet weg. Mijn medestudenten waren hier zeker niet uniek in, net als dat mijn vaders verzameldrang ook niet op zichzelf staat.

Veel kunstenaars willen iets nalaten. Meestal is dat zoals de Engelsen zouden zeggen een body of work, maar soms gaat deze corpus over in een andere, lijvigere eenheid: een body of things. Dit is bij de generatie van mijn vader en Trokut, de naoorlogse generatie, goed te zien. Beide kunstenaars leefden lange tijd in relatieve zuinigheid en woonden en werkten in tijdelijke ruimtes, totdat zij deze verruilden voor een vaste verblijfplaats, de plek waar het verzamelen begon. Deze overgang laat zich makkelijk psychologiseren, maar het is natuurlijk ook gewoon een kwestie van gemak.

Beeldhouwer Tjebbe van Tijen met zijn expositie ‘Europa tegen de stroom’, manifestatie uit 1988 © Pieter Boersma

De gedachte aan mijn vaders spullen drukt op mij omdat ik zie wat de verzamelingen van mijn vaders generatiegenoten bij hun nakomelingen teweegbrengen. Het is makkelijk om een oordeel te vellen over de weggegooide spullen van Trokut omdat ik niet weet wat zijn naasten daartoe heeft bewogen. Dit is anders in de situaties die ik van dichtbij heb meegemaakt. De weduwe van de schrijver, de dochter van de architect: allemaal besluiten ze na het overlijden van hun naasten niet alleen hun nagedachtenis maar ook hun spullen eer aan te doen.

Mijn vader komt in deze situaties als vriend van de overledene om de hoek kijken met een oplossing. In de praktijk blijkt deze echter keer op keer tijdrovender dan wie dan ook vermoed had. Wanneer mijn vader zelf overlijdt, verwacht hij van mij dat ik zijn catalogiseringssysteem ga gebruiken. En, hoewel de blauwdruk van zijn hersenen bestaat, weet ik dat ik de complexiteit daarvan geen eer aan kan doen.

Op de kunstacademie liep dagelijks een conciërge met zijn afvalkarretje door de ateliers. ‘Is het kunst of mag het weg?’ riep hij

In Het lied van de ooievaar en dromedaris, de roman van Anjet Daanje, staan twee dochters van een bekende biografe voor een haardvuur. Hun moeder is vlak daarvoor overleden. Tussen hun armen klemmen zij honderden door haar beschreven vellen papier. Ze houden het onvoltooide manuscript vast waar de biografe tijdens haar leven met ongelooflijke hartstocht aan heeft gewerkt. Zij deed dit in een poging zichzelf te rehabiliteren nadat haar eerdere onderzoek door iedereen in haar werkveld was verguisd. De papieren vormen voor de dochters een aandenken aan de schande die hun moeders neergang het gezin had gebracht. De waarde die het manuscript voor hun moeder had, lijken zij, bij de aanblik van het vuur, te zijn vergeten.

Net voordat de dochters de papieren aan de haard willen voeren bedenken ze zich: ‘Het is alsof zij door te sterven hun kind is geworden, een hulpeloos wezen om wie ze zich moeten bekommeren.’ Deze zin vind ik eindeloos beangstigend, maar hij biedt mij ook troost. Hoe vaak ik de dood van mijn vader ook oefen, ik kan het mij niet voorstellen, niet echt. Bij leven blijft hij de ouder en ik het kind. Hoe het zal zijn wanneer de rollen worden omgedraaid is niet te voorzien. Pas wanneer ik voor het haardvuur sta, zal ik weten of ik er iets in zal verbranden. Dan pas weet ik in hoeverre ik bereid ben om voor dit kind te zorgen.

De lessen die hieruit getrokken kunnen worden zijn niet alleen bedoeld voor ‘kinderen van’ maar ook voor kunstenaars zelf. De vraag ‘Mag het weg?’ kan bij leven al met ‘ja’ beantwoord worden. En, als het antwoord ‘nee’ is, kan alvast worden uitgelegd waarom. Dit geldt ook in de gevallen dat een kunstenaar vooral werkt met digitale bestanden. Het doorploegen van een harde schijf of cloud is namelijk geen gemakkelijke opgave als deze niet aan jou toebehoort.

Ik spreek uit ervaring wanneer ik zeg dat de kunstacademie je op meerdere aspecten van het werkende leven niet voorbereidt. Financiële perikelen, zelfpromotie, sociale media kwamen tijdens mijn studie niet of nauwelijks aan bod. Dat een kunstenaar in veel gevallen ook zijn eigen archivaris blijkt te zijn, is niet iets waaraan gedacht wordt, en al helemaal niet als je net met je praktijk begint. Waarom is dit dan ook op dat moment van belang? De spullen die je verzamelt tijdens je werk hebben invloed op wat je maakt. In het begin kan dit onbeduidend lijken, maar de volgorde waarin je bijvoorbeeld bepaalde filosofische en theoretische teksten tot je neemt, kan wel degelijk uitmaken als iemand later jouw werk wil duiden. Misschien ben ik hierin wel te veel geïndoctrineerd omdat ik, net als mijn vader, niet alleen het belang van een verzameling wil benadrukken, maar ook het belang van de volgorde waarin deze verzameling tot stand is gekomen. Om dit breder te trekken zou ik graag een voorbeeld willen geven van een gebeurtenis die zich buiten mijn bubbel afspeelt.

Bij de Appel Amsterdam zijn ze, net als mijn vader, bezig met het opzetten van een catalogiseringssysteem voor het eigen archief. Een versie van dit systeem werd door kunstenaar Mariana Lanari ingezet tijdens de tentoonstelling Catching Up in the Archive. Onder het mom van ‘iedereen is een archivaris’ verplaatste Mariana Lanari het archief naar de aula van het gebouw. Bezoekers werd gevraagd om in het aanwezige materiaal te bladeren, het te lezen en, waar zij dat nodig achtten, te scannen, te annoteren en herschikken. Hun handelingen werden direct weergegeven in de online omgeving van de tentoonstelling, de bibliograph. Zo ontstonden er verschillende geschiedenissen van de Appel, evenals uiteenlopende toekomstscenario’s voor het archief. Daarnaast kwamen er kleine persoonlijke archieven tot stand van individuele bezoekers die door de tentoonstelling een plek toegewezen kregen binnen het grotere archief.

Het verschil tussen het project bij de Appel en dat van mijn vader is hierin te vinden: bij het maken en onderhouden van het archief van een kunstinstelling zijn meestal meer mensen betrokken dan bij dat van een particulier. De volgorde waarin de verzameling tot stand komt is voor beide van belang, alleen wordt deze vaker herzien wanneer er sprake is van meerdere archivarissen.

Toen ik tijdens Catching Up in the Archive de stapels boeken op de vloer van de Appel zag liggen, moest ik weer denken aan de video met ‘schandalig’ in de titel. Net als bij de spullen op de stoep voor het huis van Vladimir Dodig Trokut heerste er in dit archief anarchie, alleen was het door de kunstinstelling georkestreerd door het archief naar de aula te verplaatsen. Terwijl het bij het individu werd afgedwongen, door het archief op straat te zetten.

Als kunstenaar is het moeilijk om prioriteiten te stellen binnen een verzameling of archief dat je werk voedt, vooral wanneer de scheidslijn tussen het archief en het werk begint te vervagen. In het geval van Trokut is zijn antimuzej zowel zijn levenswerk als zijn leefomgeving. Na zijn overlijden bleef de leefomgeving leeg en kwam zo ook het levenswerk ten einde. In het geval van mijn vader is zijn catalogiseringssysteem zowel een manier om zijn werk vast te leggen als een werk op zichzelf. Het is dan ook de vraag of iemand anders in staat zal zijn om beide voort te zetten. Ben je als kunstenaar zelf de aangewezen persoon om te bepalen of jouw archief belangrijk genoeg is voor de kunstgeschiedenis om te bewaren? Ik denk het niet. Maar je kunt in ieder geval alvast een voorschot nemen op het moment dat iemand anders besluit dat het wel zo is.

De relatie die boeken in een kast of spullen in een la tot elkaar hebben is belangrijk, al is het maar voor degene die het erin stopt en voor degene die het er weer uithaalt. Een kunstenaarsarchief, hoe ondoorzichtig het soms ook kan zijn, vormt een inkijkje in het leven van de persoon die het heeft samengesteld. Als kunstenaar kun je niet vroeg genoeg beginnen met het bijhouden van je archief, hoewel het als naaste ook goed is om te weten wanneer je ermee moet stoppen.

Voor dit stuk kreeg Lena van Tijen de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2022 in de categorie essay. De tweejaarlijkse prijs, die werd opgericht door de Appel Amsterdam, het Mondriaan Fonds en Kunstinstituut Melly, staat open voor jong talent en wordt uitgereikt in de categorieën essay, recensie en innovatieve kunstkritische praktijken.’