Mag ik een teiltje?

Soms is het beter te haten dan lief te hebben. Mocht Jezus volgende week terugkeren op aarde om de puinhoop die wij ervan gemaakt hebben op te ruimen, dan bid ik dat hij de goede smaak heeft om de relatie tussen schrijvers en hun critici zo te laten als die is: een mengeling van angst en afkeer. Zo niet, dan kunnen we de literatuur wel vergeten, en dan ziet die eeuwige zaligheid er ineens een stuk minder aantrekkelijk uit.

James Thurber schreef eens: ‘Een beetje in het kruis trappen is een goed iets, mits gedaan in woede; wie ik niet kan uitstaan, zijn die lui die hoogstens een beetje gepikeerd zijn door het onvergeeflijke.’
Bij het onvergeeflijke moet u dan denken, bijvoorbeeld, aan de recensie die een zekere Peter Prescott schreef over Kurt Vonneguts Breakfast of Champions: 'Van tijd tot tijd is het leuk om een boek te haten - het reinigt je systeem - en ik haat dit boek.’
Als dat niet onvergeeflijk genoeg is, Paul Theroux schreef in 1974 bij het verschijnen van Erica Jongs Fear of Flying: 'Deze waardeloze roman, die vulgariteit misbruikt tot het punt van volkomen dwaasheid, (…) vertegenwoordigt alles wat walgelijk is in de hedendaagse Amerikaanse literatuur.’
We hoeven niet helemaal de oceaan over om critici te vinden die er genoegen in scheppen om een schrijver te trappen als die al op de grond ligt. Een paar jaar geleden maakte een criticus van de Volkskrant korte metten met het debuut van een jonge schrijfster. In de tweede alinea gebruikte hij haar tekst voor een komisch dialoogje: ’(“Lees mij met je zintuigen. Ga alsjeblieft niet toeschouwen en onderscheiden.” Dat bepaal ik zelf, mejuffrouw. “Als jij je lief gedraagt, mag je bij mij naar binnen.” Zou ik, voordat ik lief ga doen. soms even mogen weten met wie ik het genoegen heb? En daarna besluiten al dan niet bij u naar binnen te gaan?“(’ De criticus sloot zijn slachtwerk af met de woorden: 'Mag ik een teiltje?’
Wat doe je als iemand zoiets over je schrijft? Je stapt het café binnen waar hij zijn zilverlingen staat op te drinken, tikt hem op zijn schouder en zegt: 'Dag Criticus, ik ben de Schrijfster wiens boek u net hebt afgemaakt.’ Vervolgens trap je hem hard en gericht in zijn ballen. Iedereen zal je groot gelijk geven - wie niet weet wat respect is, hoort geen respect te krijgen.
In een interview in deze krant zei dezelfde schrijfster enige tijd later dat zij iemand zocht 'die van mij houdt om wie ik ben’. Niettemin is zij twee weken geleden met Criticus in het huwelijk getreden. Toen ik het nieuws vernam sloeg ik, in totale verbijstering, de recensie nog eens op. Het stond er echt, die liefdeloze woorden als 'fnuikend’, 'gezwatel’, 'pijnlijk’, 'overspannen’, 'halfzachte’, 'waanzin’.
Ik begrijp het niet. Hoe kunnen twee mensen die geen enkel respect hebben voor elkaars werk, samen in één bed slapen? Dat hij ooit schreef dat hij 'kopschuw’ van haar werd, kan dat zomaar met het dekbed der liefde worden bedekt?
Ik begrijp het werkelijk niet. Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al, ja ja, kom er eens om, Gij weet waarom het is, ik niet. Vindt U ook niet, eerlijk zeggen, dat liegen veel erger is dan haten?
Een belangrijke vaardigheid van jazzmuzikanten is namelijk dat zij wél kunnen omgaan met het cliché. Hun materiaal bestaat voornamelijk uit clichés - voor het merendeel van de improvisaties wordt uitgegaan van bijna een halve eeuw onveranderd gebleven blues- en ritmeschema’s, oude musicalliedjes en eenvoudige repeterende patronen - en wat zij spelen is in de meeste gevallen al evenzeer een cliché. Alle muzikanten, de groten en de kleinen, hebben een verzameling licks en trucs in hun spel, vaste, veel gerepeteerde patronen die op elk moment kunnen opduiken, even vaak gewenst als ongewenst. (Er zijn genoeg solisten die avond aan avond hun licks staan te herhalen, zonder ooit één originele noot te spelen. Dit hoeft succes niet in de weg te staan.)