In het spoor van mijn vader: Marie-Lise van Veelen, Neurochirurg

‘Mag ik papa even?’

‘Mijn vader had een enorme passie voor zijn werk. Het huis lag vol met platen, schedels en boeken. En hij vertelde ons altijd over zijn patiënten. Over een heel mooi meisje dat hij die dag had geopereerd en bij wie hij toch een snee had moeten laten doorlopen tot op haar voorhoofd. Hij beschreef dan tot in detail hoe hij die snee met het allerdunste draadje zo mooi mogelijk weer had dichtgenaaid.

Medium marie lisevanveelen4855

In tegenstelling tot veel kinderen nu had ik een duidelijk beeld van wat mijn vader deed. Het kwam regelmatig voor dat mijn vader tijdens het weekend plotseling werd opgeroepen. Hij nam ons dan vaak mee naar het ziekenhuis waar hij ons bij de verpleegsters achterliet. Hij zette me ook eens naast het bed van een Italiaans meisje met platte bedrust na een nekoperatie om haar gezelschap te houden. We konden elkaar niet verstaan, maar hadden een hoop lol.

Ik wilde niet van jongs af neurochirurg worden, integendeel. Ik zag mezelf niet in de rol van dochter van. Ik speelde wel altijd ziekenhuisje en was toen al ambitieus. Ik had niet één ziekenzaal voor mijn knuffels, maar richtte direct meerdere zalen in. Op de middelbare school wilde ik van alles; naar de kunstacademie, architectuur studeren of misschien toch medicijnen. Het werd uiteindelijk medicijnen. Toen ik werd ingeloot kon ik het niet laten, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Tijdens mijn studie merkte ik dat alles wat met het zenuwstelsel te maken had me fascineerde. Misschien omdat er thuis altijd iets extra’s over te vinden was. Ook het type patiënt sprak me aan. Meestal een beetje vreemd. Wie een hersenziekte heeft, is vaak ook in zijn wezen aangedaan.

Mijn vader was veeleisend. Als je een acht had gehaald, dan had het ook een negen kunnen zijn. Wel heeft hij ons altijd vrij gelaten in onze studiekeuze, alhoewel hij het leuk vond als we medicijnen zouden studeren. Maar neurochirurgie? Nee, dat heeft hij altijd afgeraden. Veel te zwaar, riep hij dan, en al helemaal niets voor vrouwen. Toch had ik de stap zonder mijn vader waarschijnlijk nooit genomen. Ik had een enorme bewondering voor wat hij presteerde, maar zag als kind ook de simpele dingetjes die ik beter kon. Wel dacht ik dat het werk inderdaad te zwaar zou zijn. Pas tijdens mijn coschappen merkte ik dat dit intensieve werk me juist heel goed afgaat. Lange OK’s, complicaties, veel nachtwerk, verantwoordelijkheid en fysiek werk; ik reageerde er adequaat op.

Mijn vader was bevlogen en toegewijd. Geduldig, geïnteresseerd in alles, niet alleen de geneeskunde. Ik heb dat ook. Ik vind mijn vak geweldig, houd van het priegelwerk en ontferm me net als hij graag over mensen. We verschillen ook. Op zijn werk was hij een toonbeeld van vriendelijkheid, maar thuis kon hij opvliegend zijn. Ik heb die eigenschap ook meegekregen, maar heb mezelf geleerd me te beheersen en spanningen niet mee naar huis te nemen.

Het werk is tegenwoordig ook anders. De druk is minder: meer protocollen, betere navigatietechnieken, werken in een groter team. En mijn vader was ook hoogleraar en op dat niveau speelden veel machtsspelletjes, over subsidies en eer. Hij had daar een enorme hekel aan. Ik houd me ook het liefst zo ver mogelijk van die haaienvijver, maar kan er beter mee omgaan. De zere angel eruit halen met een grapje of de groep wijzen op het belang van de patiënt.

Sinds we hetzelfde beroep hebben is onze relatie wel veranderd. Er is meer waardering en begrip. Ik bel hem nog regelmatig als ik een probleem heb met een patiënt. Mijn moeder weet genoeg als ik vraag: “Mag ik papa even?” Nu is hij al weer een tijd met pensioen en voel ik me de sterkste generatie, maar je weet dat je altijd op andermans schouders staat. Ik kan verder reiken, dankzij zijn werk en dat van ­generatiegenoten.’


Marie-Lise van Veelen werkt in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam.

De serie ’ __In het spoor _ van mijn vader’ verschijnt in het dubbeldikke kerstnummer van[De Groene Amsterdammer](/2012/5152)