Maggie is een vrouw, en Harry is geen man

Mary Colby en George Oppen ontmoetten elkaar tijdens een poëziecollege aan Oregon State University, maakten samen een ritje in de T-Ford van George’s kamergenoot, praatten en vreeën totdat de zon weer opkwam. De volgende ochtend werd George tijdelijk geschorst en Mary voorgoed. Ze besloten er samen vandoor te gaan.

Medium nelson 2c 20maggie 20 harry 20dodge

Dat was in 1926. In de Verenigde Staten was de zogenaamde Mann Act nog van kracht, die het mannen en vrouwen zo goed als onmogelijk moest maken samen te reizen zonder getrouwd te zijn. Officieel om prostitutie tegen te gaan, officieus om iedere relatievorm die buiten het huwelijk plaatsvond als immoreel en illegaal te bestempelen.

Mary was een felle tegenstander van het huwelijk, dat ze een ‘verschrikkelijke val’ noemde, maar het vooruitzicht opgepakt te worden boezemde haar dusdanig veel angst in dat ze zwichtte. En zo trouwden Mary en George, in een spuuglelijk gebouw in Dallas, met goedkope ringen en in verschoten kleren.

Hoewel: in feite trouwde Mary nooit met George Oppen, maar met David Verdi, een schuilnaam die George aannam om zijn familie te ontvluchten. En zo leidden ze niet alleen de privé-detective van George’s vader om de tuin, maar ook de overheid. Getrouwd en toch ook niet, zo leefden ze een activistisch kunstenaarsleven, schrijvend, dichtend, schilderend, innig verbonden tot aan George’s dood in 1984. ‘Zevenenvijftig jaar’, schrijft Maggie Nelson, ‘waarin ze vol vuur het paradigma trotseren.’

Het is niet verwonderlijk dat Nelson dit huwelijk spiegelt aan dat van haarzelf, dat ruim tachtig jaar later, in november 2008, wordt voltrokken in een groezelige tent in West Hollywood. Zij en haar partner Harry hebben evenmin plannen om te trouwen, maar wanneer ze op een ochtend op de radio horen dat naar alle waarschijnlijkheid Proposition 8 wordt aangenomen – een wetsvoorstel dat het homohuwelijk in Californië moet terugdraaien – besluiten ze diezelfde dag nog naar het gemeentehuis te rijden. Daar treffen ze protesteerders met anti-homoleuzen naast een lange, kleurrijke rij homo’s en lesbiennes voor het trouwloket.

‘Dat arme huwelijk!’ schrijft Nelson monter: ‘Om zomaar door ons om zeep te worden geholpen (onvergeeflijk). Of door ons te worden bekrachtigd (onvergeeflijk).’

Het zoeken naar een punt voorbij de Twee, man-vrouw, homo-­hetero: dat is het proces dat Nelson in gang zet

Het zit zo: Maggie is een vrouw, en Harry is geen man. Harry kwam ter wereld als Wendy, groeide op als Rebecca bij adoptieouders en veranderde als volwassene naar Harriet/Harry, totdat een definitief ‘Harry’ de beste schuilnaam van allemaal bleek.

Harry wil geen borsten maar evenmin een piemel. Voor Harry is gender een voortdurende beweging van niet-vastleggen, een eeuwig worden zonder eindpunt. (Een vloeibaarheid die het vermijden van persoonlijk voornaamwoorden in de hand werkt: ‘De kunst is jezelf eraan te wennen keer op keer iemands naam te horen. Je moet leren je toevlucht te nemen tot grammaticale cul-de-sacs, je over te geven aan een orgie van specificiteit. Je moet leren leven met een punt voorbij de Twee, uitgerekend op het moment dat je poogt een verbintenis te vertegenwoordigen.’)

Dat zoeken naar een punt voorbij de Twee, het denken buiten (boven, naast, rondom) binaire opposities als man-vrouw, homo-hetero, burgerlijk-bohémien: dat is het proces dat Nelson in De Argonauten op allerlei manieren in gang zet en exploreert. Ze doet dit aan de hand van de metafoor van de Argo, het schip waarmee de Argonauten uit de Griekse mythe de zeeën over gingen. Hoewel ze in de loop van de tijd voortdurend de onderdelen vernieuwden, bleef het schip onveranderlijk Argo heten. Op diezelfde manier, laat Nelson zien, kunnen woorden steeds opnieuw worden aangewend, om telkens te worden voorzien van nieuwe betekenis. Het persoonlijke, het politieke; het huwelijk, zwangerschap, moederschap: wie bereid is de eeuwige oerbegrippen binnenstebuiten te keren, klassieke tegenstellingen te deconstrueren om ze vervolgens op een andere manier weer in elkaar te zetten, zorgt ervoor dat de taal (en daarmee het leven zelf) fluïde blijft, en te allen tijde anti-totalitair.

Als Nelson het over ‘queer’ heeft, heeft ze het over veel meer dan alleen queerness in de homoseksuele en transseksuele gemeenschap. Queer betekent voor haar in wezen ‘dat niets wat we in dit bestaan doen dichtgetimmerd hoeft te worden, dat geen enkele verzameling handelingen of verbintenissen het monopolie heeft op het zogenoemd radicale, of het zogenoemd normatieve’. Queer is bij uitstek relationeel van aard, vreemd, ontheemd.

Het risico bij een begrip als queer is dat het al te glibberig wordt, een te gemakzuchtige lofzang op pluriformiteit an sich. Nelson is zich daarvan bewust, en heeft zich doordrongen van een mantra die weerklinkt in het werk van queertheoretica Eve Kosofsky Sedgwick: ‘pluraliseren en specificeren’.

Het is een handeling die volgens Nelson noodzakelijk is als je niet wil verzuipen in oneindigheid, een handeling die aandacht en een zekere meedogenloosheid vereist.

Het is precies die combinatie van aandacht en meedogenloosheid die De Argonauten tot zo’n sprankelend, grondig en bezield boek maakt. Zonder concessies te doen aan de helderheid van het proza, en met ogenschijnlijk gemak, verweeft Nelson citaten van allerhande theoretici door haar verhaal, dat geschreven is als een lange brief aan Harry – hoewel soms de lezer ook direct wordt aangesproken. Een open brief dus, voor iedereen die erin geïnteresseerd is, al doet die openheid geen afbreuk aan de soms extreme intimiteit van het beschrevene (Maggie’s bevalling, Harry’s borstamputatie, hun seksleven). Soms is Nelson essayistisch, dan weer lyrisch of anekdotisch. Haar toon is bedachtzaam maar ook strijdbaar, met zo af en toe een felle uithaal. Met De Argonauten schreef ze een bevrijdend boek, zowel qua vorm als qua inhoud, al zou zij de laatste zijn om dat onderscheid te maken.