TONEEL: Tramlijn Begeerte

Magie of betovering?

Vooral door het streeplicht van Stijn van Bruggen in de eerste scène en door de mooie en dwingende scenografie (een reusachtige planken schuur van Theun Mosk), zijn we als toeschouwers aan het begin van Tramlijn Begeerte heel even aangeland in de filmversie van het stuk uit 1951.

In dat rokerige trein­station waar de op de vlucht geslagen ‘motvlinder’ Blanche Dubois aankomt in New Orleans. ‘De Motvlinder’ was een van de titels die Tennessee Williams in 1947 aanvankelijk voor zijn stuk had bedacht. Blanche’s Chair in the Moon was een andere, of Go, Said the Bird. Maar die vond-ie allemaal te zweverig, te symbolistisch, te veel kitsch ook. Dus werden het toch die paar kale woorden op dat smoezelige briefje als wegwijzer voor de tocht van Blanche naar het adres van haar zus Stella: neem de tramlijn die Begeerte heet, overstappen bij halte Kerkhof, dan nog zes haltes tot Elyseïsche Velden.

Onder die drie paukenslagwoorden (‘begeerte’, ‘kerkhof’, ‘elyseïsch’) gaan de zweterige grotten schuil van Tennessee Williams’ duistere wereld. Gevormd als die is door zijn adoratie voor de poëzie van Edgar Allan Poe, de invloed van de latere August Strindberg en de toneelpoëzie van de Spanjaard Lorca. En niet te vergeten zijn binding met de voor Hitler naar Amerika gevluchte Duitse expressionisten. Van een van hen, regisseur Erwin Piscator, krijgt hij in het begin van de jaren veertig in diens New Yorkse workshop les in het schrijven voor toneel. Williams leert het vak niet van de conventionele realisten die zijn stukken uiteindelijk voor Hollywood verbouwden en verminkten. Williams werd als toneelschrijver geboetseerd uit de lyriek, de rauwheid en de vitaliteit van de anti-naturalisten uit het Avondland van de jaren twintig en dertig.

Het lijkt wel of regisseur Marcus Azzini en zijn kompanen van Toneelgroep Oostpool ons in die eerste minuten van hun versie van Tramlijn Begeerte nog even pesten met die fijn­besnaarde, diep doorvoelde en ernstig ingeleefde, van seksuele spanningen onderhuids sidderende misverstanden over Tennessee Williams. Het is dan ook even wennen, pal ná dat begin. De machine komt hortend en stotend op gang – dat is ook eigen aan dit verhaal, dat hier aanvankelijk wordt verteld in een kille, afstandelijke sfeer. Zo begint de onvrijwillige logeerpartij van de geparfumeerde kakmadam Blanche. Locatie: de tweekamergevangenis van haar felle en tegelijk nuchtere zus Stella en haar bezwete Poolse mannenman Stanley Kowalski. Die twee zijn verkleefd in een relatie die is samengesteld uit de componenten: weinig geld, losse handjes, een hoop blufpoker, veel drank. En verder: goeie seks en oneindig veel liefde. Van die laatste twee zou Blanche wel wat kunnen gebruiken. Maar in het Jeruzalem van de liefde en de zinnelijkheid is zij een eeuwige vreemde gebleven. Te dik bepoederd, te rijkelijk besprenkeld met geurtjes en spiritualiën, te veel foute mannen op verkeerde plekken en met een libido dat op de doos van Pandora is gaan lijken. Vivien Leigh en Chris Nietveld, twee toneelspeelsters die de intens begeerde rol eerder speelden (in de film uit 1951 en in een bewierookte enscenering uit 1995), zijn hier ver weg. Deze Blanche is uit andere dromenstof gecomponeerd. Uit nieuwe woordjes om te beginnen, een verse vertaling (Rob Klinkenberg) die hard om zich heen mept en die daarin formidabel is. Maar ook uit ander mensenmateriaal. Luisterend naar de naam Maria Kraakman. Over haar (en de andere toneelspelers) volgende week meer.

Tramlijn Begeerte reist t/m half december door heel Nederland. Speellijsten: toneelgroepoostpool_.nl, 026-4437655_