Magies india

Onder hippies en tweede-generatiehippies is het altijd in de mode geweest om naar India te gaan. Veel mensen die nu een jaar of vijftig zijn, hebben een India-verleden: op hun achttiende voor het eerst gegaan, en sindsdien nog een keer of tien terug geweest. Niet alleen om in Goa te gaan blowen en trippend langs het strand te zweven, maar ook, en vooral, om op te gaan in de Indiase samenleving. Want de Indiase samenleving, dát is pas een samenleving!

Ik heb die hang nooit begrepen. Ik zag niet in wat er zo fascinerend was aan India. Ik mis het hippie-gen. India heeft mij nooit getrokken, omdat ik niet anders wist dan dat het een onaangenaam land was. Geen elementaire hygiëne. Rivieren vol lijken, waartussen kinderen spelen en moeders de was doen - dat India-beeld heb ik op de middelbare school gekregen. Van een aardrijkskundeleraar, geloof ik.
Waarschijnlijk stemt dat beeld niet overeen met de werkelijkheid. India is heus niet dat enge, gevaarlijke land van mijn aardrijkskundeleraar. Lees Vikram Chandra maar. Na zijn debuutroman Stromende regen en rode grond, die mondiale lof oogstte, heeft Chandra nu de verhalenbundel Liefde en verlangen in Bombay gepubliceerd. Daarin laat hij de poëtische kanten zien van de Indiase samenleving, en roept hij een beeld op van een bijna magisch land vol bezielde mensen en sympathieke geesten.
Neem het verhaal ‘Dharma’. De verteller, net als in de andere vier verhalen ambtenaar in ruste Soebramaniam, laat de lezer kennismaken met Jago Antia. ’(“Ik heb eens iemand gekend die een geest tegenkwam’, zei hij. Ik zat nog steeds omgedraaid in mijn stoel, maar de anderen keken hem vol verwachting aan. Hij zei: "Sommigen komen hun geest tegen, anderen niet. Maar ieder van ons wordt erdoor achtervolgd.” (…) “Luister,’ zei hij.’
En Soebramaniam vertelt het verhaal van Jago Antia. Op zijn vijftigste verjaardag krijgt die opeens pijn in zijn been. Dat is vreemd, want het betreffende lichaamsdeel is al twintig jaar weg. In de oorlog werd het geamputeerd. Zonder verdoving. Door omstandigheden.
Dat het been nu opspeelt, komt doordat, u raadt het, Jago Antia zijn geest gaat tegenkomen. De fantoompijn stelt hem op de hoogte van de naderende gebeurtenis. Jago reist naar het huis van zijn jeugd: 'Toen zag hij aan de balustrade, vaag en onveranderlijk in het grijze licht, de omtrek van een kleine gedaante, een jongen die over de rand van het hek naar de oceaan keek. En terwijl Jago Antia keek, draaide de jongen zich langzaam om, en in het zwakke licht zag hij dat de jongen een olijfgroen uniform droeg, en hij vroeg: "Waar moet ik naar toe?” En Jago Antia begon te praten, maar zijn stem haperde want hij herinnerde zich zijn zevende verjaardag (…)’
Het jongetje, dat hij zelf is, maar dan een half leven eerder, brengt Jago niet alleen in contact met zijn verleden, hij laat hem er ook mee in het reine komen. Er lopen zodoende werkelijkheden door elkaar heen, en tijdlagen. Heden en verleden zijn in de Indiase cultuur zoals Chandra die beschrijft niet zo definitief gescheiden als bij ons in het Westen. Het mysterie schuilt overal.
Aan de hand van Soembramaniam, aan de hand van Vikram Chandra, dwalen we in Liefde en verlangen in Bombay vijf verhalen lang door de wonderlijke wereld van India (alleen al de Woordenlijst is spannend). Aangetrokken door de magie die we thuis moeten ontberen. Niet blowend en trippend, maar lezend en dromend. Als je niet oppast, zou je nog een hippie worden.