Magisch schrijven

‘Er zit nitroglycerine in ons bloed’, merkt de vertelster in Ik nog wel van jou op zeker moment op. Op een nogal laat moment eigenlijk. ‘Man’ is al lang en breed vertrokken, vrouw is tegen haar wil achtergebleven, met hun twee dochtertjes. Steeds is er de dreiging dat er zo niet doden, dan toch in ieder geval gewonden gaan vallen. Want waarom is man weggegaan? De koek was op, zoiets. Hij vond het ‘niet leuk’ meer. Te vaak in hun gezamenlijk leven had de vertelster van dit alles, de verlatene tegen wil en dank, ‘niet thuis’ gegeven. Had ze het schrijven de voorrang gegeven boven het leven. En nu zit ze met de gebakken peren, oftewel ‘een heel normale ramp’, om het – zoals ze zelf ook doet – met Alice Munro te zeggen.

Small elke geurts   jan willem kaldenbach
Elke Geurts – ‘Ik nog wel van jou’ is een onthutsend boek © Jan Willem Kaldenbach

Kloten. Man weg. Het zijn de woorden waarmee dat andere staaltje van magisch schrijven in de Nederlandse literatuur begint: Niets te verliezen en toch bang, van Renate Rubinstein. Alles is erop gericht de vertrekkende man terug te halen. Naar binnen te hengelen met de allermooiste, allerverdrietigste stukjes. Het is het enige wapen dat nog rest. Het enige wapen ook dat ingezet kan worden met de hoop op een happy end, zolang niet die gevreesde ‘ander’ in het spel is.

Er is toch geen ander?

Er is toch echt niet iemand anders?

Wij omstanders zijn getuige, en willen het haar toeroepen: hou de eer aan jezelf. Laat hem gaan

De wekelijkse column die schrijfster Elke Geurts in Trouw schreef, schrijft, over haar huwelijk dat aan diggelen ging, werd haars ondanks een spannend feuilleton. Ik schrijf ‘haars ondanks’ omdat de echte pijn er vanaf te scheppen viel. Was dit leven of theater? De beste schrijvers doen je dit afvragen, maar hier was toch net iets anders aan de hand. Geurts, tot dan toe haar sporen verdiend op het gebied van literaire fictie, tapte haar columns uit een onnavolgbaar rauw vaatje. Voor wie haar buiten haar werk om ook volgde op haar blog een niet helemaal nieuw fenomeen. Al een tijdje vroeg ik – zijnde een van haar volgers – me af waartoe deze ogenschijnlijk huis-tuin-en-keukencolumnistiek zou gaan leiden. Zo was er een paar jaar geleden, redelijk kort na de verhuizing naar IJburg, een incidentje met de buren. Zij voelden zich door Geurts bespied, toen ze zichzelf in gestolde vorm teruglazen op haar blog. Eventjes dreigde er een fittie, heet van de naald te volgen op zomaar een blog, jammer genoeg voor de buitenstaanders er ook weer voortijdig vanaf gehaald. Het liet wel in een pure vorm zien wat het doet met mensen als ze personages worden. Ik moet de eerste persoon nog tegenkomen die zich niet vervelend gereduceerd voelt als hij zichzelf op enerlei pagina terugvindt. Zo wordt ‘man’, oftewel ‘ex’, ook wat cynisch als de uitwisseling tussen de voormalige echtelieden voor een deel gaat lopen via de columns. Al is hij ook weer schrijversmans genoeg om te weten dat het allemaal ‘niet waar’ is, wat ze schrijft. ‘Niet waar?’ riposteert de schrijfster. ‘Ze zijn juist ontzettend wáár.’

Wat is nitroglycerine eigenlijk? Geen idee. Maar dat ‘nitro’ klinkt niet goed. Het is ook niet goed. Het maakt van modelmensen – altijd uitgeblonken in braafte, zorgzaamheid, intelligentie – beesten. Moordenaars. En dus gaat die bom die zo lang maar lag te sluimeren en te tikken áf.

Ik vond Ik nog wel van jou een onthutsend boek, zoals ik ook de columns onthutsend vond. Die columns zijn overigens net anders. Ze zijn meer gecondenseerd geschreven en daarmee zijn ze ook iets abstracter, wat soms beter werkt. Herhaling ligt altijd op de loer, maar brengt ook een soort tediousness met zich mee dat ook wel weer past in een huwelijksdrama. Maar dat onthutsende, waar zit ’m dat in? Het is niet alleen de ultieme wreedheid van het gegeven dat liefde kennelijk eindig is. Het is ook dat Geurts haar verteller iets laat doen wat een weldenkende vrouw niet hóórt te doen. Ze klampt zich vast, aan een been, een rug, een kus. Ze wil er gewoon niet aan. ‘Nooit eerder geweten dat verlangen zichtbaar was, bijna tastbaar.’ Wij omstanders zijn getuige, en willen het haar toeroepen: hou de eer aan jezelf. Laat hem gaan. Maar zij heeft niets te verliezen. En ja, is toch bang.

En dan dat schrijven. De boosdoener van alles. De grote vernieler, dat wat in de plaats komt van het leven. Deze strijd leek zich al af te spelen in die elke-dagcolumnistiek van Geurts, waarin de kinderen nog Jeetje en Deetje heetten.

Het onder ogen zien van dit boek, het schrijven ervan, is zoiets als het leegdrinken van een zelfgebrouwen gifbeker, een dolk in eigen hart steken.