Magisch territorium

Berg & Schwarz

Het overzicht van het werk van het kunstenaars­echtpaar Else Berg–Mommie Schwarz in het Joods Historisch Museum is, om te beginnen, een eerbetoon aan twee carrières en twee oeuvres die door de Tweede Wereldoorlog in vergetelheid zijn geraakt. Berg (1877-1942), van oorsprong Duitse, en Samuel Leser ‘Mommie’ Schwarz (1876-1942), geboren in Zutphen, leerden elkaar in 1909 kennen en trokken intensief met elkaar op, al trouwden ze pas later, in de jaren twintig. Ze waren onderdeel van een grotere groep kunstenaars die in het eerste decennium van de twintigste eeuw de alles op z’n kop zettende bewegingen in de kunsten meemaakten. Behalve de confrontatie met buitenlandse schilders als Cézanne, Chagall en de kubisten (tentoongesteld in Amsterdam in 1911) waren dat ook Nederlandse ontwikkelingen, zoals het ‘luminisme’ van Toorop. Het was lastig kiezen, en daarin zit de tweede kwaliteit van de tentoonstelling: in de voortgang van deze twee schilders tussen 1910 en 1940 is te zien hoe al die revoluties en al die ismen de mogelijkheden op een verwarrende manier vergrootten. Dat uitte zich bij Berg en Schwarz in het uitproberen van allerlei stijlen: wie niet zou weten dat het overgrote deel van het hier getoonde werk van maar twee schilders is, zou best kunnen denken dat het een groepstentoonstelling was van Chagall, Marc, Kandinsky, Kirchner, Sluyters, Delaunay, Le Fauconnier, Jan en Charley Toorop, enzovoort. Sommige van die schilders hangen er ook echt tussen. Le Fauconnier, bijvoorbeeld, was een invloedrijke Franse kubist die de oorlogsjaren in Nederland doorbracht en veel betekende voor de ontwikkeling van een ‘gematigd kubistisch-expressionistische schilderstijl’ – gematigd in de zin dat de Nederlandse kunstenaars kennelijk meer voelden voor ‘innerlijkheid en expressieve kracht’, aldus de schilder Piet van Wijngaerdt, die met Le Fauconnier wordt gezien als stichter van de Bergense School.

Berg en Schwarz waren deel van de groep die zich in 1913 in een gezamenlijke tentoonstelling presenteerde als ‘De Onafhankelijken’. Het paar reisde veel; technisch waren zij zeer goed, werkend met veel ijver en plezier en soms met overduidelijk panache. Er is, bijvoorbeeld, een klein landschapje van Else Berg, vervaardigd in Mallorca, dat onmiskenbaar een studie is, maar dat zo speels en licht en gemakkelijk en helder in elkaar zit dat je zou willen dat zij daarbij gebleven was en nog eens honderd van dat soort stukken had gemaakt.

Maar het werd anders. Berg en Schwarz belandden ook in Bergen, en daar nam hun schilderkunst het vocabulaire van die sombere school aan. Dat zit ’m vooral in het palet, dat bestaat uit bruin, zwart, donkerrood, oker, blauw en een merkwaardig (en foeilelijk) hard kopergroen – en dat alles overdekt met een dofbruine sluier, alsof alle schilderijen bij een kolenhandel werden gevernist. Het zit ’m ook in die vermaledijde ‘vergeestelijking’ van het onderwerp, waardoor het Noord-Hollandse landschap, dat toch echt vooral bestaat uit licht en lucht met af en toe een stolpboerderij, wordt gezien als een donker, onheilszwanger, magisch territorium, alsof er niet permanent een zeewind overheen waait.

Die stijl staat in merkwaardig contrast met de foto’s van het leven dat Schwarz en Berg daar leidden, zonnig, sportief, ontspannen, vol vrienden; Berg steeds lachend, met haar krachtige kop, markante kaak, doordringende ogen, Schwarz kleiner en potig, kalend, met alpinopet, een verwoed visser. In de oorlog doken zij aanvankelijk onder, maar keerden terug naar hun huis aan het Sarphatipark in Amsterdam, waar zij in de winter van 1942 hun laatste schilderijen maakten, uitkijkend over het besneeuwde park.

Else Berg en Mommie Schwarz: Schilderspaar uit de Nederlandse avant-garde, Joods Historisch Museum, Amsterdam, t/m 24 juni. www.jhm.nl