Magische verhalen

Wat Reinaart de Vos is voor West-Europa is de spin Anansi voor Afrika. Qua sluwheid, vraatzucht en egoïsme doen ze niet voor elkaar onder. Het verhalenweb dat Anansi in de loop der tijden spon reikt zo langzamerhand tot ver in Europa. In ons land hebben vertellers als Gerda Havertong en Wijnand Stomp veel gedaan voor de naamsbekendheid van de spin. Van groot belang is ook het werk van Noni Lichtveld, die als dochter van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader bij uitstek geschikt lijkt om de verhalendraad van het ene continent naar het andere te trekken.

In 1984 verscheen onder auspiciën van de Novib een bundel Anansitori’s, door Lichtveld zelf geïllustreerd en zwierig opgetekend. Bronnen waren haar Surinaamse tantes, aan wie de streken van de spin weer via hun grootmoeders waren doorgegeven. Doordat de verhalen wortelen in de orale traditie liggen ze niet vast en ontstaan er ook steeds nieuwe, beïnvloed door de nieuwe omgeving en omstandigheden van de vertellers.
Uit deze meer recente vertellingen stel de Lichtveld onlangs opnieuw een bundel samen onder de titel Anansi tussen god en duivel. Anansi bedient zich inmiddels van fax, computer en kopieerapparaat, hij organiseert een songfestival en een door God gesponsorde voetbalcompetitie, en de duivel draagt donkere contactlenzen. Maar in één opzicht bleef alles bij het oude: de spin is zowel God als de duivel te slim af.
Lichtvelds eerste bundel bood een grote eenheid qua sfeer en toon en is mij vanwege het traditionele karakter liever dan deze vijftien nieuwe verhalen. Ze zijn uiteenlopend van lengte, kernachtigheid en taalgebruik, en daarmee wisselt ook het mogelijke lezers- c.q. luisteraarspubliek. Aan het ene uiteinde staat bijvoorbeeld de ontstaansgeschiedenis van Anansi, waarin de schepping uit Gods zweetdruppels aldus wordt verwoord: ‘En zo groot was derzelven Levenbrengende Potentie, dat overal waar deze vielen de een of andere boom opschoot.’ Aan het andere uiteinde vinden we een van opwinding en actie zinderend kettingverhaaltje over Anansi’s zoon die er met een idiote boodschappenlijst op uit wordt gestuurd.
Het volkse karakter van de verhalen bleef behouden. Als de held zich weer eens aangeschoten bij zijn vrouw meldt, blijkt deze weinig subtiel in de mond: 'In de strontpot opgegroeide nachtbraker! Krijg een barst in je bolle bierbuik waar de pissebedden bruiloft komen vieren!’
Breed wordt Anansi’s piesvermogen uitgemeten - 'Het waterkanon van de brandweerboot had het niet kunnen winnen van die plas’ - en uit het leven gegrepen is het verhaal over het carnavalslied, dat pas echt een kraker kan worden met enige pikanterie. Zo'n geschiedenis roept ook het beeld op van een luid meelevend publiek - jong en oud dooreen - waarvoor verteld wordt, zodat het vertelde kan groeien, krimpen en ter plekke worden aangepast.
Eenmaal vastgelegd in een boek verdwijnt dit aspect van de verhalen. Ter compensatie kan de stortvloed aan beweeglijke, exotische tekeningen dienen. Een kind dat tijdelijk de draad of strekking van het vertelde kwijt is, zal zich verlustigen aan de schitterende kleuren en groteske details en zo toch ingesponnen blijven door Anansi’s universele en magische verhaaldraden.