Magistraal

Hotel New Flandres, een bloemlezing uit zestig jaar Vlaamse poëzie, biedt zicht op een terrein dat voor een groot deel onbekend is en nu eindelijk ontsloten wordt. Ja, er bestaat een Vlaamse poëzie, die geheel en al op zichzelf staat.

Het is de wanklank uit de hijger zelf
die hem/haar zo hijgen doet. De onderlip
krult naar wat een hersenkwab
vol echo’s in gevangenschap dicteert.
Men hijgt, pauzeert en hijgt
in een oorzakelijk verband. Niemand
die er tijdens het hijgen last van heeft.
Later verschijnen er dieren:
de angsthaas in het reuzenrad,
de kermispony die ’s nachts alles herbeleeft.

Paul Bogaert

HOTEL NEW FLANDRES:
60 JAAR VLAAMSE POËZIE. 1945-2005
Samengesteld en ingeleid door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, Poëziecentrum, 752 blz., € 29,95
Een bloemlezing wordt wel gezien als een ark en de bloemlezer als Noach. Maar een bloemlezing kan zelf ook een zondvloed zijn die een groot deel van de poëzieproductie meedogenloos wegspoelt. Volgens Julian Barnes was de Ark maar één uit een vloot van acht schepen, en waren er niet zeven vergaan, dan zouden wij veel meer diersoorten kennen. Deze informatie ontleen ik aan het voorwoord van Hotel New Flandres, een bloemlezing waar in den beginne het gegeven van het bloemlezen kritisch wordt doorgelicht.
Is er een Vlaamse poëzie die op zichzelf staat? Ja, wil het voorwoord van alle kanten benadrukken, terwijl het antwoord in de gedichten te vinden is. Er wordt gesproken van een Vlaams literair systeem. De spelregels van deze bloemlezing is er een van sterren. Die worden niet aan hotels toegekend, maar aan dichters. Wie vijf sterren heeft, krijgt negen of tien gedichten toebedeeld, wie één ster heeft één of twee.
Een pluspunt van de bloemlezing is dat de dichters niet op geboortejaar staan gerangschikt maar op het jaar van verschijnen van de betreffende bundel, wat een overzicht geeft van een courante poëziegeschiedenis.
Hotel New Flandres is vernoemd naar een hotel in Sint-Niklaas. In die plaats woonde Anton van Wilderode, priester, leraar en dichter. Hij was Vlaamsgezind en schreef verzen voor de IJzerbedevaart. Tegelijk was hij een bevlogen leraar, die latere dichters als Paul Snoek, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Tom Lanoye onderwees. Dat is een illustratie van een cultuuroverdracht die moeilijk vergelijkbaar is met de buurlanden van België.
De bloemlezing begint na de oorlog en laat een mengelmoes zien van klassieke gedichten en verzen in toegankelijkere taal. Naast Van Wilderode staan de Vlaamse experimentele dichters van het tijdschrift Tijd en mens, zoals Remy C. Van de Kerckhove. ‘Je bijt zo snoezig op je onderlip’, dicht Gaston Burssens. ‘Wees stil nu, roer niet en luister/ Trekt hij de straatdeur achter zich dicht?’ vraagt Ben Cami in Nu de grillige wind de rook heeft verwaaid.
Al in de jaren veertig en vijftig is er een veel aardsere en ruwere lyriek te vinden in de Vlaamse poëzie. Er zijn lange gedichten van Louis Paul Boon en Albert Bontridder, tegenover een vrolijk niemendalletje van Dernand Florizoone: ‘Er plast een barvoets meisje in de regen,/ het voorjaar minnekoost mijn witte ruit,/ hier bloeien madelieven langs de wegen/ de aarde is schoon; ik wandel naast mijn bruid.’ Daartegenover staat Gust Gils: ‘dat ik alleen voortaan 16 tanden missen zal, en in mijn mond/ de smaak van een hele rottende zee.’
Er is veel lijfelijkheid in deze verzameling van gedichten. Sommige gedichten zijn geschreven in een andere taal; selectiecriterium was dat het werk van Vlaamse dichters betrof.
Inzichtelijk is het om te zien wanneer dichters opkomen, althans met gedichten die de bloemlezers de moeite waard vonden. Roland Jooris duikt al in 1957 op, Christine D’Haen in 1958. Een van de grootste Vlaamse dichters is Hugues C. Pernath. ‘Ik zwijg in het lijk dat naar Roermond drijft’, staat er in een vroeg gedicht. Er zijn prozagedichten, een gedicht in de vorm van een krantencolumn, visuele poëzie en gedichten die men in het Frans ‘laisse’ noemt: regels die te lang zijn voor de bladspiegel en doorlopen.
Vanaf de jaren zestig gaat het er opvallend speelser en liederlijker aan toe in Vlaanderen. Krachtig zijn de gedichten van Willem M. Roggeman, en ook Michel Bartosik en Jan de Roek zijn een ontdekking.
De gedichten zijn overwegend veel surreëler en seksueler. Er figureert veel fruit en gevogelte in de bloemlezing. Soms zijn ze politiek en typografisch gedateerd, zoals de kunstkreten van Rob Goswin. Nota bene in 1968 krijgt Wies Moens ruimte om ‘Mijn Diets geloof’ te ventileren, in een gotisch taalgebruik dat aan het nazisme doet denken. Mark Insingels experimentele gedichten ontstaan vanuit prozaïsche vormen.
De samenstellers hebben pakkende, aansprekende gedichten gekozen, met een sterke voorkeur voor het poëticale. In 1971 komen Stefaan van den Bremt en Patricia Lasoen (‘als een okkernoot tussen de deurscharnieren’) de bloemlezing binnen. Het kader van deze bloemlezing geeft een sterk reliëf waardoor de volgorde iets avontuurlijks krijgt. Ook het latere werk van Pernath ervaar ik als anders dan wat me vertrouwd is: het raakt me en tegelijk blijft het op afstand, als een intrigerend beeld dat maar niet scherp te krijgen is. Misschien ligt dit mede aan onverwachte toeschrijvingen en personificaties. Of juist ontkenningen: ‘Geen god is denken,/ Geen stem de aarde’, staat er in het nagelaten werk van Pernath.
De samenstellers hebben er drie jaar aan gewerkt. Na verschijnen is er in het Vlaamse weekblad Knack snel en fel op gereageerd. De beslissing om geen in Vlaanderen woonachtige ‘Ollanders’ op te nemen werd gekapitteld, net als het ruime aantal gedichten dat Dirk van Bastelaere van zichzelf opnam. Helaas reageerde die samensteller even heftig terug en is er sindsdien sprake van een ‘debat’ dat de bloemlezing eerder overstemt dan er de aandacht op vestigt.
En dat is zonde. Hotel New Flandres heeft veel onverwachte en fraaie kamers. In het voorwoord wordt het een en ander overdreven om een punt te maken. Nederland zou een buitenland zijn net zoals India dat is, terwijl de bloemlezing verwijzingen naar Lucebert en Kopland bevat. De invloed van Hans Faverey op Dirk van Bastelaere’s eigen bundel Diep in Amerika is evident, zoals ook Erik Spinoy beargumenteert in nY, het vorige week verschenen tijdschrift dat is voortgekomen uit de fusie van Yang en NieuwZuid. Daarbij lijkt me het gegeven dat een taal overeenkomt niet zo eenvoudig weg te cijferen.
Hans Groenewegen is in een artikel in Ons Erfdeel kritisch over de rol van Van Bastelaere en zegt dat men moet ‘oppassen als iemand in het centrum van de macht, zich nog steeds op de outsiders-ideologie beroept die hem daar bracht’. Een klinkend volrijm. Van Bastelaere’s bedoeling is primair een Vlaams poëtisch systeem in kaart te brengen. Bloemlezingen zijn a priori geen prettige dingen. Het zijn instrumenten. Ik lees liever een dichtbundel die door een auteur, eventueel in samenspraak met een redacteur, is opgebouwd. Maar Hotel New Flandres biedt zicht op een terrein dat voor een groot deel onbekend is en met deze bloemlezing eindelijk ontsloten wordt.
Medesamenstellers zijn dramaturg Erwin Jans en poëziecriticus Patrick Peeters, krachtige karakters naast Van Bastelaere. Ze gaan uit van zogeheten ‘paradigma’s’, bundels die van invloed zijn op andere dichters. Zoiets valt te verwachten met Boze wolven van Erik Spinoy, een bundel die het fascisme als thema heeft en van constant hoog niveau is.
Poëzie is overal iets anders. Poëzie wordt in ieder land anders georganiseerd, gepresenteerd, voorgedragen en uitgegeven. Gedichten lijken iets te kunnen zeggen over de cultuur van een land of een regio, maar de spraakverwarring is eerst dat wat men onder poëzie verstaat en welke plek dat in de cultuur inneemt overal verschillend is.
Daarom ben ik blij met Hotel New Flandres. De bloemlezing toont aan dat Vlaamse poëzie eigen is en niet een minderwaardig achterdeurtje van Nederlandse poëzie. Een magistraal werk.