Magistrale misverstanden

Joost Niemöller, De therapie. Uitg. Querido, 221 blz., 339,90
In 1973 verscheen Sybil, een psychiatrische gevalsbeschrijving. In samenwerking met psychiater Cornelia Wilbur en de patiënte zelf beschreef journaliste Flora Rheta Schreiber Sybils elf jaar durende psychoanalyse en geschiedenis. Sybil was in haar jeugd gruwelijk mishandeld door haar fanatiek religieuze moeder. Sinds haar derde had ze regelmatig gaten in haar herinnering: het leek soms of ze wakker werd uit - ja wat, een slaap? Een absentie? Een trance?

In 1954, toen ze 31 was, belandde Sybil bij dr. Wilbur. Na twee maanden bleek wat er gedurende de absences aan de hand was: Sybil wàs er nog wel, maar zíj was het niet meer. Ze sprak anders, verloor haar normale beheersing en werd kinderlijk boos. Tevens waren er plotseling herinneringen waar Sybil niets van had geweten. Deze ‘andere’ Sybil heette zelfs anders: Peggy.
Wilbur concludeerde dat Sybil een gespleten persoonlijkheid moest hebben. In de loop van de daaropvolgende sessies bleek echter dat het niet om één maar om zestien andere persoonlijkheden ging: jongetjes, meisjes, boze of juist luchthartige jonge vrouwen, en zelfs een baby. Wilbur wist de hulp te mobiliseren van Vickie, het persona dat als de archivaris en het geweten van de zestien 'alters’ fungeerde. Sybil had, kennelijk in een poging mentaal te overleven onder barre omstandigheden, verschillende persoonlijkheden in het leven geroepen die zich buiten haarzelf om manifesteerden, die plaatsvervangend optraden, de klappen incasseerden, de wraakfantasieën beheerden of de schuld droegen waar Sybils moeder zo op hamerde.
Sybil was een van de eersten die gediagnostiseerd werden met wat nu bekend staat als MPS, het Multiple Personality Syndrome. Tegenwoordig is MPS geen onbekend fenomeen meer: de diagnose 'meervoudigheid’ wordt regelmatig gesteld, en lijkt vooral naar voren te komen bij mensen die, zoals Sybil, te maken hebben gehad met serieuze verwaarlozing of (seksuele) mishandeling in hun jeugd.
Maar hoe waarheidsgetrouw is Schreibers boek, en hoe serieus Wilburs diagnose? De man die nog uitgebreid wordt bedankt in Schreibers voorwoord en die Sybil zelf heeft onderzocht, psychiater Herbert Spiegel, vertelde eerder dit jaar in een interview in The New York Review of Books dat Sybil 'extreem suggestibel’ was. Hij meldde dat Wilbur er gedurende haar sessies met Sybil op zeker moment toe had besloten om specifieke gevoelens en stemmingen van Sybil voor het gemak met een eigen naam te bedelen: haar diagnose was een literaire constructie, bedoeld voor betekenisgeving en een spannend verhaal, en heeft niet veel uit te staan met een uit terughoudende observatie waargenomen verschijnsel.
Joost Niemöllers roman De therapie vertelt een vergelijkbaar verhaal. Carl stort in op zijn werk - wat er nu precies gebeurd is, komen we nooit te weten; iets met een paniekaanval - en gaat daarop in therapie. Zijn psychologe Jeannette, uitentreuren op de hoogte van de laatste modes in therapieland (zo weet ze maar al te goed dat satanisch misbruik van kinderen een hoge vlucht heeft genomen), vraagt Carl naar wat hem bezighoudt. Dat nu is een van de weinige dingen die Carl gemakkelijk kan vertellen: alles draait bij hem om 'de familie’, maar dat is geen eenvoudig verhaal, waarschuwt hij zijn therapeute. Jeannette heeft razendsnel door waar het hier werkelijk om gaat en doet later opgewonden verslag in het medewerkersoverleg: 'Ontploft tot een complete familie, beweerde hij al bij de eerste zitting. Waar een gemiddelde meervoudige persoonlijkheid er soms jaren over doet voor het eindeloos gesplitste innerlijke huis in kaart kan worden gebracht, wordt hier de hele problematiek in één keer op tafel gelegd. Met een grappig, zelfverzonnen woord: familie.’ Waarna Jeannette Carl eindeloos laat vertellen over de tweede en de vierde broer, over de vader en de moeder. De moeder, dat is de bron.
Een collega van Jeannette raakt ervan overtuigd dat de moeder nog gevaarlijker is dan Carl al meent. Volgens deze Maria, die regelmatig overlegt met een witte heks, is de moeder-alter bloedlink: 'een zwarte, kleverige klont vulkanisch traumamateriaal’. Erger nog: 'het gevaar is van buitenaardse proporties’. 'Satan’, vult de witte heks begrijpend aan.
Voorts is men bij het therapiecentrum enorm begaan met de gruwelijke aanval op René Diekstra - het moet wel een komplot zijn dat deze geniale man ten val heeft gebracht; het is inderdaad oorlog tegen de psychologen, daarbuiten.
Het centrum heeft meer gevallen als Carl in behandeling; er zijn zelfs banden met een tehuis voor 'meervoudige meisjes’. Kortom, het is het puikje van het psychologendom dat daar rondloopt, en Carl is ongetwijfeld in goede handen - ware het niet dat Jeannette onderwijl zelf wat doordraait en in handen valt van een therapeut die haar, teneinde haar met 'haar aardsheid’ in contact te brengen, zo ongeveer verkracht, met voor haar dramatische gevolgen. Een dolkomische boel, en tegelijkertijd diep tragisch. Niemöller heeft alle trendy psychokolder in kaart gebracht en tot een slapstickverhaal gemengd.
Uiteraard is Carl niet 'meervoudig’ en is de hele - sowieso nutteloze - therapie gebaseerd op een schandalig misverstand en een uitvloeisel van Jeannettes bedenksels. Carl begrijpt überhaupt niet waar Jeannette het over heeft. De familie waarmee hij zich zo verregaand identificeert dat hij hun geschiedenis beter kent dan de zijne, is geen verzameling alters maar de Kennedy-dynastie (een oude obsessie van Niemöller, die in zijn roman De spier een paranoïde man laat optreden die waan en werkelijkheid verwisselt, Lee Harvey Oswald overal ziet en op zoek is naar de moordenaar van de moordenaar van de eeuw). Maar er is wel degelijk iets aan de hand met Carl. Hij heeft last van achtervolgingswaanzin, meent bij vlagen dat hijzelf de tweede zoon van 'de familie’ is en gaat gebukt onder een onuitlegbare, loodzware schuld.
Niemöller beschrijft Carls surrealistische gedachtengang schitterend; alle tussenstappen in de geheel eigen logica van Carls waan laat hij overtuigend zien, in quasi-naïeve zinnetjes. Wanneer Carl vanuit zijn huiskamer een Amerikaanse slee ziet, gelooft hij ogenblikkelijk dat het de Amerikaanse geheime dienst is die hem tracht af te leiden van zijn vorsing van de familie. Carl tracht alles wat hij ziet te duiden: onder en achter en tussen alle dingen schuilen betekenissen, niets is wat het is, en met elke mogelijkheid moet rekening worden gehouden; daarmee komt alles in Carls hoofd op de helling te staan, biedt niets nog houvast en glibbert hij langzaam weg uit de gewone wereld.
Terwijl de structuur van het boek slim is - je zou goed kunnen beargumenteren dat het boek zelf als MPS-constructie is opgezet - en Carls curieuze gedachtenwereld knap wordt beschreven, kent De therapie één groot mankement. Niemöller heeft niet goed kunnen kiezen uit de rijkdom van zijn materiaal en heeft van alles een beetje gedaan, zodat niets echt wordt uitgewerkt. Het professioneel desastreuze maar literair o zo vruchtbare misverstand tussen Jeannette en Carl raakt bedolven onder het slapstickdeel vol moderne psychokletsika en hip therapeutengeneuzel. Die zedenschets in overdrive ondermijnt tevens zijn mooie plot: therapeuten die Diekstra als hun god aanbidden en witte heksen te hulp roepen, zijn vanzelf niet serieus meer te nemen. Ook lijkt Jeannettes gekte in toon en stijl te veel op die van Carl, en krijgt die niet echt een eigen karakter.
Ik wenste dat Niemöller minder ambitieus was geweest en zich had beperkt tot Carl, Jeannette en hun magistrale misverstand. Extreme suggestibiliteit is dramatisch immers interessanter dan slapstick, zeker wanneer beide partijen - patiënt en therapeut - zo impressionabel zijn als ooit Sybil. En laten zien hoe verdwazing, overreding en het overnemen van ideeën - hoe mal en ongeloofwaardig ook - in een individueel hoofd werken en daar tot waanzin worden gesmeed, daarin excelleert Niemöller.