De New America Foundation

Magneet voor intellectueel daklozen

Een goed verhaal op de juiste plek kan meer doen dan onderzoek op de achtergrond. Ziedaar de uitgangsgedachte van de New America Foundation, die vele maatschappelijke gebieden wil voorzien van nieuwe ideeën die zij dringend nodig acht. «Wij produceren vooral ideeën voor de media.»

Het kantoor van de New America Foundation staat wel in Washington, maar op veilige afstand van het Witte Huis en het Congres. Het wordt niet omgeven door de saaie kantoorkolossen van de bureaucratie waarmee het centrum van de stad is bezaaid, maar door koffieboetieks, een winkel in tweedehands boeken, een hebbedingenzaakje met een T-shirt dat Martin Sheen aanbeveelt als president, een actiecentrum voor mensenrechten en Kramerbooks, een gewild ontmoetingspunt voor de intelligentsia.

Sinds de start in januari 1999 heeft de stichting niet te klagen over publiciteit. Volgens de Washington Post is het «de denktank voor Generation Next: een hippe verzameling jonge, mediabewuste wetenschappers die de manier van denken in Washington trachten te herdefiniëren». De National Journal sprak van «een avant-gardistische denktank die frisse oplossingen biedt voor beleids problemen, die links noch rechts zijn». En volgens The Economist beschikt de stichting over «een goed deel van de briljantste Amerikaanse denkers onder de veertig jaar».

Tot de twintig «fellows» van dit jaar behoren Robert Kaplan, internationaal gevierd auteur inzake de wereld na de Koude Oorlog; Margaret Talbot, auteur van veel geprezen omslagverhalen in The New York Times Magazine; Debra Dickerson, die (als zwarte) voor onrust zorgde met haar kritiek op positieve discriminatie; en Jedediah Purdy, die twee jaar geleden als student in de schijnwerpers kwam te staan met een boek over ironie versus betrokkenheid. Zij en anderen bestoken de media met verhalen over strenge scholen, Turkije, logo’s in openbare ruimten, goedkope computers en de digitale kloof, bijstand, de veramerikanisering van Mexico, klonen, tieners in gevangenissen en bedrijfsgeld voor universitair onderzoek.

Tevens constateert men dat in een vorig jaar gehouden enquête ruim veertig procent van de ondervraagden zei zich niet te herkennen in een van de twee grote partijen, en menigeen bij de Foundation bepleit dan ook een herziening van ’s lands verkiezings structuur, zodat andere partijen meer kans van slagen hebben.

Met gepaste trots meldt oprichter en baas Ted Halstead (33) dat de Foundation vorig jaar met een kleiner budget meer artikelen kreeg afgedrukt in vooraanstaande kranten dan gevestigde denktanks als de Brookings Institution en de Heritage Foundation. «Zij publiceren vooral rapporten en sturen die rond waarna de media het moeten oppikken. De meeste rapporten belanden in een la van een Congreslid en worden niet al te best gelezen. Wij produceren vooral ideeën voor de media. Dat is een win-winsituatie: die media zitten te springen om interessant materiaal en wij hebben een podium nodig.»

De stichting heeft een voorkeur voor wetenschappelijke journalisten en journalistieke wetenschappers die een band hebben met de politiek. «Iemand als (econoom en New York Times-columnist) Paul Krugman was tien jaar geleden een geschikte kandidaat geweest. We zoeken mensen met grote ideeën voor verandering van het openbaar bestuur, die schrijven voor een groot publiek.»

De meeste denktanks hebben medewerkers van boven de vijftig, zegt Halstead, vaak voormalige bewindslieden die honderdvijftigduizend dollar per jaar kosten. De leeftijd van de typische NAF-fellow varieert van achter in de twintig tot voor in de veertig. Het jaarsalaris zit ergens tussen de vijfentwintig- en zestigduizend dollar. Ze krijgen tevens kantoorruimte, hulp bij het plaatsten van verhalen, en een intellectuele gemeenschap. «Wij verstrekken ongeveer de helft van het geld dat ze nodig hebben en verwachten dat de andere helft komt van artikelen, spreekbeurten en boekcontracten.»

Halsteads rechterpols zit vandaag in een soort steunverband, wat niets te maken heeft met het schrijven van het boek The Radical Center, dat begin oktober verschijnt, maar alles met een fanatiek partijtje squash. De bebaarde dertiger is een gedreven type, iemand die op 24-jarige leeftijd de stichting Redefining Progress oprichtte uit onvrede met het stoffige gedachtegoed binnen de milieubeweging waarin hij een jaar had vertoefd. Hij moest niks hebben van de opvatting dat milieu en economische groei elkaar niet verdragen, en meende dat de sectoren juist veel voor elkaar konden betekenen.

Halsteads publieke doorbraak kwam in 1995 met een omslagverhaal in The Atlantic Monthly waarin hij vaststelde dat economische groei op zich niets zegt over de leef kwaliteit in een land, en waarin hij en zijn co-auteurs een andere meetmethode presenteerden dan het bruto nationaal product. «Dat sloeg in. Groepen in Europa en Australië namen dat over.»

Hij besefte dat een goed verhaal op de juiste plek meer kon doen dan onderzoek op de achtergrond, en dat niet alleen de milieubeweging maar ook andere terreinen dringend nieuwe ideeën nodig hadden. «We verkeren in het informatietijdperk maar zitten opgescheept met instituten, partijen en ideologieën uit de industriële tijd. We zoeken allen naar een nieuwe filosofie. Dat de stichting in korte tijd zo veel succes heeft, is omdat we ons opstellen als een magneet voor hen die zich intellectueel dakloos voelen. De meeste denktanks in Washington hebben een band met een partij en zijn voorspelbaar. Ze zijn twintig of dertig jaar geleden opgericht rondom een ideologie die toen zin had maar die nu een vermoeide indruk maakt, en ze worden gefinancierd door een bepaalde belangengroep.»

Het jaarbudget van vier miljoen dollar van de stichting komt van filantropische stichtingen, Wall Street-bankiers en ondernemers in Silicon Valley, die menen dat de betekenis van de nieuwe economie nog niet echt is doorgedrongen tot het politieke establishment. De Valley is ook vertegenwoordigd in het bestuur met mensen als Eric Benhamou, topman van 3Com, en Eric Schmidt, ex-topman van Novell en nu chef van Google, die in 1999 zei: «Velen hier zijn doodmoe van het links-rechts-debat.»

Om andere debatten te stimuleren, organiseert de Foundation onder leiding van tweede man Steven Clemons zogeheten projecten waarbij onderzoek wordt gecombineerd met conferenties en publicaties over onder meer de globale economie, biotechnologie en de nieuwe generatie leiders.

«Je móet Michael Lind even ontmoeten», oppert Ted Halstead. Dat «even» loopt uit tot een kleine drie uur als in een ongestructureerd gesprek de vroege Nederlanden langskomen, alsmede de loodzware erfenis van Duitse filosofen, wat roddels uit het denktankcircuit, oppervlakkigheid in de media en de wenselijkheid van lange stukken, een liederencyclus waarvoor hij de teksten schreef en die later dit jaar in première gaat, zijn constatering dat links hier interessant was in de jaren veertig tot zeventig maar daarna niet meer terwijl rechts ook al geruime tijd gaapneigingen veroorzaakt, plus de vraag of Europees links tegenwoordig optimistischer is dan Amerikaans links.

In een bescheiden kamer gaat de denker uit Texas schuil achter een berg papier, waarvandaan hij analyses en meningen levert aan vrijwel alle relevante Amerikaanse media, terwijl hij ook een Brits periodiek als Prospect bedient. Zijn verleden maakt duidelijk waarom hij past binnen het «radicale centrum» van de Foundation. Aanvankelijk was Lind (39) doende met de Koude Oorlog en populair bij rechts; na de val van de Muur concentreerde hij zich op binnenlandse kwesties en publiceerde hij in boekvorm een aanval op conservatief Amerika, waarna links met hem wegliep. Die liefde was ineens over toen hij in het boek Vietnam betoogde dat president Johnson in het kader van de Koude Oorlog een juiste beslissing had genomen door troepen naar Azië te sturen.

Lind verwacht nu weer de nodige kritiek als The Radical Center uitkomt, dat hij samen met Ted Halstead schreef. Kritiek van de partijfanaten ter linker- en rechterzijde, die te horen krijgen dat hun tijd voorbij is — denkt hij — en van anderen die zullen zeggen dat de voorstellen op korte termijn onhaalbaar zijn.

Halstead: «De scheiding tussen Democraten en Republikeinen is irrelevant voor de nieuwe uitdagingen. Het maakt ons ook niet uit welke partij onze ideeën overneemt. We mikken niet op de korte termijn maar op de komende tien tot twintig jaar. Het geeft niet dat veel voorstellen nu niet haalbaar zijn; er zijn nu eenmaal perioden van grote verandering, en van relatieve stilstand en gerommel in de marge. Nu is er duidelijk sprake van de tweede categorie. Sinds Bush president is, hebben we nog niks gezien dat blijvend is of van groot belang. De belastingteruggave heeft pas over een jaar of zeven effect en zal tegen die tijd zijn teruggedraaid. Democraten komen met een verklaring inzake de rechten van patiënten en die dekt niet de ruim veertig miljoen onverzekerden — absurd! Hervorming van de regels voor de financiering van verkiezingscampagnes loopt vast op een procedurekwestie. Allemaal gerommel in de marge.

Ik ben meer geïnteresseerd in een grondige herziening van de basissectoren van de samenleving: de markt, de staat en de gemeenschap. Twee keer eerder zijn alledrie tegelijk vernieuwd: als gevolg van de Industriële Revolutie en van de New Deal-tijd en de Depressie. Nu heb je de Informatierevolutie gecombineerd met ingrijpende demografische veranderingen, en dat verlangt opnieuw een grondige herziening.»

Halstead en Lind voorzien grote problemen als de babyboomers massaal met pen sioen gaan. Halstead: «Het gevaar bestaat dat generaties zullen stemmen als generatie, tegen elkaar, waarbij de ouderen meer voorzieningen willen en de jongeren daar niet voor willen betalen. Dat lijkt me vreselijk, en ik wil alles doen om een generatieoorlog te voorkomen. Het gaat niet over vreemden met wie we niks te maken willen hebben, maar over onze ouders. Ik zou dan ook de komst willen zien van politici die niet aan een specifieke achterban vastzitten. Nu zijn ze zo bang niet herkozen te worden dat ze niet over de schutting durven te kijken.

Ik heb net een weekend doorgebracht met 42 senatoren, en dan merk je dat ze het vaak eens zijn met de ideeën. Daarna komen de ‹jamaars›: de achterban, de bonden, onhaalbaar, et cetera. De meeste politici zijn in de eerste plaats bezorgd om hun herverkiezing, in de tweede plaats over de vraag of het goed is voor de partij en daarna pas over het belang van het brede publiek. Voor ons is dat laatste het uitgangspunt.

Als de babyboomers massaal met pen sioen gaan, heb je iets nodig als een gemeenschappelijk offer, een daad die het land kan stellen. Amerika is op zijn best tijdens crises. De New Deal was het grote verhaal tussen de jaren dertig en zeventig dat het land verenigde. Inmiddels is de New Deal verouderd en hij dient opnieuw te worden uitgevonden. Vanuit het besef dat het doel wél relevant is maar de middelen niet.»

Het gedachtegoed van de New Deal was grotendeels ontwikkeld door intellectuelen, zegt Halstead, al voor de Depressie en de komst van Franklin Roosevelt, die aanvankelijk helemaal geen campagne voerde als New Dealer. «Maar toen kwam de golf van de geschiedenis en die opende de deur voor radicale vernieuwing; de ideeën die nog in de marge verkeerden, kwamen in de hoofdstroom terecht. Binnen een jaar of tien is er weer een grote historische opening; het land zal in een crisis verkeren en openstaan voor fundamentele veranderingen in alle sectoren.»

Halstead gaat ervan uit dat kapitalisme blijvend is, wat hem ook «goed» lijkt, maar de vraag is hoe het systeem verder vorm te geven. «Ik groeide op in een middenklassegezin. Toen ik mijn eerste huis wilde kopen, konden mijn ouders me iets lenen voor de aanbetaling. Dat is een groot verschil met een gezin waarin dat niet kan. Veel kinderen in disfunctionele grootstedelijke gezinnen hebben geen cent om in hun toekomst te investeren. Als ze bij de geboorte zesduizend dollar krijgen, kan dat tot zo'n twintigduizend dollar zijn gegroeid tegen de tijd dat ze achttien zijn. Dan kunnen ze dat geld gebruiken voor een studie, of om een bedrijf te beginnen, of voor een huis.»

De auteurs wijzen op het belang van een «sociaal contract» dat zou moeten leiden tot meer betrokkenheid bij het welzijn van het systeem. Halstead: «Demonstranten tegen globalisering hebben het gevoel dat succes van het systeem voor hen van weinig belang is. Zwarte kinderen in steden denken dat het systeem tegen ze gekant is, en deels hebben ze gelijk. Maar als er twintigduizend dollar op ze ligt te wachten wanneer ze van de middelbare school komen, dan is er een nieuwe stimulans. Dat tijdens de nieuwe economie de kloof tussen arm en rijk in de VS sterk is gegroeid, lag niet aan het verschil in salarissen maar in aandelen; wie effecten bezat, zag zijn vermogen veel sterker toenemen. Inmiddels heeft vijftig procent van de bevolking direct of indirect aandelen, zodat je het kapitaal gedemocratiseerd zou kunnen noemen. Waarom zou dat niet honderd procent kunnen worden?»

Een van de vergissingen van links in de VS is dat het altijd tegen bedrijven is geweest, meent Halstead. «Terwijl een bedrijf niks meer is dan een juridische structuur om zaken te doen. Het lijkt me beter om tegen bedrijven te zijn die bijvoorbeeld het milieu schade berokkenen. Of om te pleiten voor meer belasting op de hoogste inkomens. We zijn sowieso voor een veel progressiever en eenvoudiger belastingstelsel en voor het afschaffen van allerlei bedrijfssubsidies, maar ook voor de afschaffing van inkomstenbelasting voor bedrijven, want zeker in een globale economie is het inefficiënt en het geld komt uiteindelijk toch terecht bij aandeelhouders en werknemers.»

Sommige andere voorstellen in The Radical Center zijn naar Europese begrippen weinig revolutionair maar kunnen in het minder zorgzame klimaat van de VS op veel weerstand rekenen. Scholen worden nu gefinancierd uit onder meer de opbrengsten van lokale belastingen op onroerend goed, zodat de welvarende staat New Jersey gemiddeld drie keer zo veel aan onderwijs kan uitgeven als het arme Mississippi. Dat is te verhelpen door scholen vanuit Washington te betalen. Ook willen de auteurs dat de ziekteverzekering wordt losgekoppeld van het bedrijf waar iemand werkt. Zeker nu werknemers in de flexeconomie veel meer van baan (moeten) veranderen, zou het goed zijn als ze zich geen zorgen hoefden te maken over de per bedrijf nogal uiteenlopende voorzieningen. Als alternatief noemen de auteurs het Zwitserse model, waarbij iedereen verplicht is zich te verzekeren en waarbij de overheid de zwaksten te hulp schiet.

Nu The Radical Center bij de drukker ligt, kan Halstead op vakantie. Het schrijven van zijn eerste boek was in combinatie met de start en ontwikkeling van de Foundation een uitputtingsslag die zoveel tijd vergde dat zijn vriendin het voor gezien hield, zegt hij. Tien minuten eerder merkte hij op: «Als je iets groots wilt bewerkstelligen, heb je geen keuze.»

Ted Halstead, Michael Lind

The Radical Center

Uitg. Doubleday. $24,95 (Verschijnt 2 oktober)

De New America Foundation (www.newamerica.net) accepteert vooralsnog alleen kandidaten met de Amerikaanse nationaliteit.