Mahatma gandhi

Anale fixatie, zouden de freudianen zeggen. De mate waarin Mohandas Karamchand Gandhi met zijn strenge levensvoorschriften zijn spijsvertering trachtte te beheersen, overschrijdt de grens van het pathologische. Maar ook die van het persoonlijke. Zijn hele omgeving leed onder zijn verstervingsdrift.
NEUROTICI ZIJN de ware ontdekkingsreizigers van de ziel. Op de vlucht voor hun fixaties, wanen en vrijzwevende angsten brengen zij de verste uithoeken van de menselijke geest in kaart, vaak tot nut van het algemeen. De petite histoire leert dan ook dat er aan de meeste cultuurdragers een flinke steek los zat. Om maar eens wat te noemen: Plato was manisch-depressief, Nietzsche was een hartstochtelijk onanist en Woodrow Wilson, de geestelijke vader van de Volkenbond, was een godsdienstwaanzinnige.

In dit illustere gezelschap mag ook Mohandas Karamchand Gandhi niet ontbreken, aangezien hij niets meer of minder dan zijn eigen spijsvertering omsmeedde tot een oerkracht van wereldhistorisch formaat.
Het is misschien oneerbiedig om de Mahatma postuum op de sofa te leggen, maar zijn betekenis voor de Indiase onafhankelijkheid of de emancipatie van de Onaanraakbaren kan moeilijk los worden gezien van zijn persoonlijkheid. Zijn vervaarlijke hongerstakingen waren de uitdrukking van een complete levenshouding, waarin de omgang met voedsel symbool stond voor de omgang met zijn medemensen. Al zijn medemensen, wel te verstaan. Als hij de geest kreeg, was niemand veilig voor zijn ontketende verstervingswoede - of het nu ging om de Britse koloniale gezagsdragers, zijn afgedwaalde volgelingen of zijn hoogsteigen familie.
De elementen van Gandhi’s leer zoals bramacharya (kuisheid), ahimsa (geweldloosheid) en satyagraha (vasthouden aan de waarheid) waren zorgvuldig toegesneden op zijn eigen karakter, dat, met alle respect voor zijn intellectuele erfenis, alleen maar dwangmatig kan worden genoemd. In freudiaanse termen was Gandhi anaal gefixeerd; in hedendaags taalgebruik zou je hem een control-freak noemen.
Helaas is deze kant van Gandhi’s karakter nimmer uitputtend beschreven. De psychoanalyticus Erik Erikson heeft weliswaar een monografie aan hem gewijd (Gandhi’s Truth, 1969), maar die gaat te gemakkelijk voorbij aan zijn obsessieve trekken. Gelukkig leveren zijn vele biografen voldoende materiaal om de keerzijde van de Gandhi-mythe te belichten. Die keerzijde is, zoals bij alle historische figuren, overwegend grofstoffelijk en bij vlagen diep-tragisch.
DE MAHATMA was in hoge mate gepreoccupeerd met zijn lichaamsfuncties en hield in gedachten een nauwkeurige boekhouding bij van zijn dagelijkse lusten en lasten, waaronder zijn seksuele activiteiten, zijn voeding, zijn tijdsbesteding en bovenal zijn ontlasting. Hij stond elke ochtend om drie uur op, las de Bhagavad Gita en diende zichzelf vervolgens een zout-waterklisma toe, want dat hield de geest helder.
De gecontroleerde ontlasting was een geliefd thema van Gandhi; het loopt als een bruine draad door zijn carrière. Nieuwkomers in zijn ashram gaf hij hoogstpersoonlijk hun eerste darmspoeling. Tijdens vergaderingen onderbrak hij soms de beraadslaging voor een uiteenzetting over het nut van vezelrijke voeding, klisma’s en een punctuele stoelgang. Op bezoek bij anderen zag hij altijd toe op de correcte aanleg der latrines, en tijdens zijn fameuze voettochten op het platteland werd zijn draagbare toilet op de schouders van zijn volgelingen meegedragen, hoog boven de massa, als een totem van de volkomen beheersing van zijn sluitspieren.
Gandhi at wat het land en de seizoenen hem voorschotelden, maar altijd zonder opsmuk en zo min mogelijk; een mango of een kommetje rijst met een glas kokosmelk of geitewrongel was al een complete maaltijd. Voedsel mocht in zijn ogen vooral geen bron van lust zijn. Ook van zijn volgelingen eiste hij dat zij zich beperkten tot ‘eenvoudig, onaantrekkelijk voedsel’, bij voorkeur van dien aard dat het na vertering goede mest opleverde. Men mocht de aarde niet meer ontnemen dan zij kon teruggeven. Op het door roofbouw geteisterde platteland van India was dat een verstandig uitgangspunt, maar Gandhi’s politieke economie van het genot beheerste ook alle andere activiteiten in de ahsram, tot en met de seksuele omgang, die alleen op de voortplanting gericht mocht zijn. Elke minuut van de dag was een geschenk van god en moest nuttig worden besteed.
IN HOEVERRE dergelijke fixaties uit Gandhi’s vroegste jeugd stammen, is niet meer na te gaan. Zijn vegetarisme kan echter met enige goede wil worden verklaard uit een heus jeugdtrauma. Het deed zich voor rond Gandhi’s achtste jaar, toen hij met een paar vriendjes stiekem geitevlees at en daarvan dagen achtereen misselijk was. Hij droomde dat de geit levend en wel in zijn maag spartelde en nam zich voor nooit meer vlees te eten. In latere geschriften verklaarde hij de Britse overheersing van India zelfs uit het feit dat de Britten vlees aten. Zijn eigen afkeer van deze gewoonte goot hij in de filosofische vorm van ahimsa, een begrip dat hij overnam van de Jain-sekte. Zijn geboortestad Porbandar had een grote Jain-gemeenschap waarmee de Gandhi’s goede contacten onderhielden. De Jains waren principieel geweldloos en gingen in hun respect voor het leven zo ver dat zij de grond voor hun voeten met een takje schoonveegden om geen insekten te vermorzelen.
Op zijn zevenendertigste legde Gandhi de gelofte van bramacharya af, die in zijn ogen veel meer inhield dan seksuele onthouding: een totale beheersing van de eigen emoties, verlangens, spraak en spijsvertering, waardoor de mens zich kon bevrijden van zijn aardse bindingen. Zijn daaropvolgende opmars in de Indiase politiek ging gepaard met een toenemende eenzelvigheid, die tijdens zijn latere hongercampagnes zelfs magische proporties aannam. Alleen hij bezat de juiste geesteshouding om succesvol te vasten; wanneer anderen in zijn geest in hongerstaking gingen, was dat alleen maar 'belachelijk’ en 'schadelijk’. Tijdens zijn voettocht door Bengalen na de gewelddadige deling van India in 1947, toen hij het ene platgebrande dorp na het andere passeerde, verzuchtte hij: 'Wat is er mis met mijn ahimsa? Waarom werkt de bezwering niet meer?’
Volgens de oriëntalist Peter van der Veer faalde Gandhi uiteindelijk in zijn streven naar een verenigd, onafhankelijk en democratisch India omdat hij zichzelf tot object van onvoorwaardelijke devotie had gemaakt. Van der Veer in een interview: 'Toen het subcontinent werd verscheurd door bloedige rellen, zag Gandhi dat als zijn persoonlijke tekort: kennelijk had hij niet voldoende spirituele kracht om het moorden te stoppen. Dus ging hij vasten. Door de microkosmos van zijn lichaam onder controle te krijgen, probeerde Gandhi de macrokosmos van het slagveld te beheersen.’ En juist dit ultieme vertoon van zelfbeheersing was te veel van het goede. Volgens Van der Veer heeft Gandhi met zijn persoonlijkheidscultus en zijn zelfgeschapen, fanatieke religiositeit de moslims uiteindelijk van India vervreemd en de gevreesde deling alleen maar bespoedigd.
OOK GANDHI’S oudste zoon Harilal vluchtte voor zijn verstikkende autoriteit en raakte van de weeromstuit aan de drank. Gandhi bestookte hem onophoudelijk met verongelijkte brieven en pogingen tot emotionele chantage. Hoewel hij zelf in Engeland had gestudeerd, verbood hij Harilal om dat ook te doen. Zijn tweede zoon Manilal moest het eveneens ontgelden. Toen Gandhi ter ore kwam dat Manilal een verhouding had met een getrouwde vrouw, ging hij uit pure woede in hongerstaking tot de vrouw haar hoofd kaalschoor en bekende dat zij de jongeman had verleid.
De zwartste episode uit zijn leven was echter de dood van Kasturbai, zijn traditioneel opgevoede, ongeletterde vrouw, die nimmer van zijn zijde week, ook niet als hij werd gearresteerd. Toen Kasturbai in 1944 in Britse gevangenschap een levensbedreigende bronchitis ontwikkelde, verbood Gandhi de gevangenisarts om haar te behandelen. Hij geloofde rostvast in 'natuurlijke’ geneeswijzen en dacht dat Kasturbais ziekte het gevolg was van haar spirituele onvolkomenheid. Toen haar toestand verslechterde, lieten de Britten in allerijl een speciaal geprepareerde antibiotica-cocktail invliegen. Maar Gandhi bleef het reddende middel weigeren omdat het met een injectienaald moest worden ingebracht. Kasturbai stierf letterlijk en figuurlijk in zijn liefdevolle omklemming.