Profiel: David Attenborough

‘Majestueus en magnifiek in zijn eigen woud’

David Attenborough vond de natuurdocumentaire zo’n beetje uit. Maar hoe groot zijn liefde voor flora en fauna ook is, volgens critici kijkt hij weg van de destructieve invloed van de mens op het milieu. Tot nu. Met Een leven op onze planeet trekt Sir David keihard aan de bel.

© John Stillwell / PA Images / AN

Even wat handige feiten over Sir David Attenborough:

1.Hij werd geboren op 8 mei 1926.

2. Eind jaren dertig, terwijl het gevaar van nazi-Duitsland groeide, adopteerden zijn ouders twee joodse zusjes die via het Kindertransport naar Engeland waren gevlucht. Een van hen gaf hem op zijn twaalfde een stukje Baltisch amber, wat bij hem een fascinatie wakker maakte over hoe leven evolueerde, op een altijd veranderende aarde.

3. Zijn moeder was docente. Zijn vader was bijna twintig jaar de directeur van University College, Leicester, dat onder zijn bewind uitgroeide tot de veel grotere University of Leicester. Het hoogste gebouw op de campus is naar hem vernoemd.

4. Zijn oudere broer Richard werd eerst Sir, daarna Lord, en uiteindelijk Baron Attenborough, voor zijn verdiensten als filmmaker. Zijn epische biopic Gandhi werd in 1983 bekroond met de Oscar voor Beste Film; hijzelf kreeg de prijs voor Beste Regie.

Leuke knipoog: in Steven Spielbergs blockbuster Jurassic Park speelde Richard – oud, grijs, gezellig rond, met het voor hem kenmerkende spleetje tussen zijn voortanden waar je een fiets in kunt parkeren – de geniale wetenschapper die uit een stukje Baltisch amber dinosaurus-dna kan halen en zo zijn fatale attractiepark kan beginnen.

5. Zijn jongere broer John stond eerst aan het hoofd van Rolls-Royce, daarna aan dat van de Britse tak van Alfa Romeo.

Naar David Attenborough zijn meer dan vijftien plant- en diersoorten vernoemd, waaronder de grootste vleesetende plant van de Filipijnen (Nepenthes attenboroughii); een zeldzame vlinder in de Amazone (Euptycha attenboroughi); een Namibische hagedis (Platysaurus attenboroughi); een Indonesische snuitkever (Trigonopterus attenboroughi); een Amerikaanse muggenvanger (Polioptila attenboroughi); een bijna uitgestorven miereneter (Zaglossus attenboroughi) en een al lang uitgestorven zeedinosaurus (Attenborosaurus conybeari).

7. Zijn uitgever meldt op het omslag van een van zijn vele memoires dat zijn documentaireserie Blue Planet II, uit 2017, de best bekeken natuurdocumentaire aller tijden is.

In de entreehal van het Londense hoofdkwartier van de bbc, Broadcasting House aan Portland Place, staat sinds kort een fraai standbeeld van George Orwell, de schrijver die in de jaren veertig aan de radiotak verbonden was. Op de muur achter het beeld staat een citaat van hem: ‘If liberty means anything at all, it means the right to tell people what they do not want to hear.’

Daar zit meer dan een kleine ironie in, in de zin dat in de tijd dat Orwell nog voor de bbc werkte de bbc op de eerste plaats een staatsomroep was die zo nauw aan de regering was gelieerd dat journalistieke vrijheid meer een aspiratie was dan een realiteit. Tijdens de oorlog werd berichtgeving om voor de hand liggende militair-strategische redenen gecensureerd, maar ook in het decennium daarna was de bbc een paternalistische organisatie, wier directeuren heel goed wisten hoe de lijn van de zittende regering aan te houden.

De bbc, dat was ‘Auntie’ – tante. Het was een keurige mevrouw, die slechte zeden, onbehoorlijk taalgebruik of ongestreken overhemden niet duldde. Ze wist het best wat goed was voor de kijkers, beter dan de kijkers zelf. ’s Ochtends was er geen uitzending, want de mensen moesten naar hun werk. In de middag was er een paar uur tv over naaien, koken, binnenhuisinrichting en andere onderwerpen die de huisvrouw moesten aanspreken. Aan het einde van de middag was er de Toddlers’ Truce, of het Peuterbestand; kinderen kwamen dan thuis van school en zouden hun huiswerk moeten maken. Maar de tv had toch zeker zo’n aanzuigende, hypnotiserende werking dat het beter was om maar niets uit te zenden, om niet van het huiswerk af te leiden. ’s Avonds begon de uitzending dan weer, werd een vaak live opgenomen toneelstuk uitgezonden, of een kort verhaal voorgelezen, door de auteur of een acteur, zittend naast een knisperende open haard. De avond eindigde met een blik op de Big Ben (niet de echte, maar een maquette, al wisten kijkers dat niet) en daarna het volkslied.

Nieuws vond Auntie niet heel geschikt voor televisie: het was de botsing tussen beeld en belang. Beelden waren al snel spectaculair, bijvoorbeeld van een brand of een andere ramp, terwijl de gedegen analyse van een ervaren verslaggever als belangrijker werd gezien. Dus werd het nieuws aan het einde van de avond, vlak voor het volkslied, kort opgelezen, zo droog mogelijk.

Als je in David Attenborough’s memoires Life on Air leest, lijkt de bbc nog het meest op hoe John le Carré de Britse geheime dienst omschreef: talent was geen vereiste, de juiste komaf wel.

Als afgestudeerd zoöloog (Clare College, Cambridge) werkte Attenborough bij een uitgeverij van kinderboeken, tot hij een vacature zag als radioproducent bij de bbc. We schrijven 1952. Zonder enige ervaring mocht hij op gesprek komen en zelfs een screentest doen. Zijn interview met een Olympische langeafstandsloper verliep stroef (jaren later vond hij zijn sollicitatiedossier terug, met op een blaadje de conclusie ‘David is intelligent en veelbelovend (…) maar niet nogmaals in te zetten als interviewer. Zijn tanden zijn te groot’). Maar hij mocht in dienst bij het departement Talks – de non-fictie-afdeling van de bbc-televisie.

Mocht je de namen googelen van zijn jonge medeproducenten die hij in zijn memoires noemt, dan kom je in bijna alle gevallen uit bij Wikipedia-lemma’s. Er zaten economen bij, schilders, kunsthistorici, kinderen van parlementsleden. De belangrijkste kwalificatie van de coördinator van het departement was dat hij expert was in de IJslandse saga’s. De helft eindigde hun carrière met een titel voor hun naam.

Aanvankelijk produceerde Attenborough Animal, Vegetable, Mineral?, een stoffige quiz waarbij een team van archeologen, kunsthistorici en antropologen objecten uit musea te zien kreeg, en moest deduceren wat ze waren. Na een paar seizoenen mocht hij een pilot maken voor een opvolger. Hij nodigde de reisschrijver en oorlogsheld Peter Fleming (broer van James Bond-bedenker Ian) en Dichter des Vaderlands John Betjeman uit, en liet hen beelden van exotische plaatsen zien, waarbij zij moesten raden waar die beelden vandaan kwamen. Ze begonnen met een negentiende-eeuwse foto van de brandstapels in Benares, India, waar vrouwen in sari’s in het heilige water van de Ganges stonden, met pagodes op de achtergrond.

Fleming had geen idee. Betjeman keek geruime tijd ingespannen en riep toen triomfantelijk dat hij het wist: ‘Dit is de Theems, net boven Maidenhead.’

Bij Attenborough worden de dieren hoofdpersonen, als kijker leef je met ze mee. De leeuw sluipt óók op jou af bij de waterplas

Dit onderstreept een paar dingen: dat de bbc-tv nog in de kinderschoenen stond. Vlak voor de oorlog was de televisieafdeling uit de lucht gehaald, om pas na de oorlog her op te starten, en in feite het vak uit te vinden. De bbc voelde heel goed aan dat je dat niet aan te veel vooruitstrevende, sociaal geëngageerde jongelui kon overlaten. De gasten waren gevestigde namen en stoffige hoogleraren, de makers waren aan Oxbridge opgeleide jongens als Attenborough (en een enkel meisje), die vanuit hun geboorte al met één been in het establishment stonden, in de wetenschap dat dat andere been vast zou volgen.

David Attenborough op de Serengeti-savanne in Kenia tijdens het filmen voor de Netflix-documentaire David Attenborough: A Life on Our Planet © WWF-UK / David Attenborough: A Life On Our Planet

Wat een verschil met de BBC van nu. Niet dat de omroep nu voorop loopt in culturele of maatschappelijke veranderingen, of dat het ineens een dynamische eigentijdse organisatie is geworden (onlangs nog brak er een schandaal uit over het feit dat bij de bbc mannelijke werknemers aanzienlijk beter betaald worden dan vrouwelijke), maar de nieuwsafdeling botst met grote regelmaat met de politiek. Hoe gespannen de voet tussen regering en omroep kan zijn illustreerde Boris Johnson vorig jaar wel, toen hij vrijwel direct na zijn verkiezingswinst het idee de wereld in slingerde om de ‘license fee’ – de 154 pond dat elk huishouden met een tv-aansluiting moet betalen – in te trekken. Daarmee zou hij driekwart van de inkomsten van de omroep wegsnijden. Had met modernisering te maken, zei hij, omroepen moesten tegenwoordig zelf hun broek kunnen ophouden. Maar gecamoufleerd of niet, het was een niet te missen statement dat Johnson de berichtgeving over zijn partij en zijn Brexit niet op prijs stelde.

Het waren de vanzelfsprekende inkomsten van de license fee, plus de monopoliepositie van de bbc (pas in 1955 kwam er een tweede netwerk, itv) die in de jaren vijftig Attenborough in staat stelden te doen wat hij wilde. Al langer produceerde de omroep dierenprogramma’s, waarbij er vanuit de dierentuin exotische beesten naar de studio werden gebracht. De programma’s waren vooral populair omdat de kijker thuis kon hopen dat het dier ontsnapte, een camera omgooide, of over de broek van de presentator plaste. Maar, zou hij later zeggen, in die gevallen was het dier steeds een freak. Om een dier echt op waarde te schatten moet je het in zijn natuurlijke habitat zien. Wat volgde was een opzet die een droevige tegenstrijdigheid met zich meebracht. Attenborough ging met een team van de London Zoo naar een ver, tropisch oord om daar bijzondere beesten te filmen (in hun natuurlijke habitat) – om ze vervolgens te vangen en mee terug te nemen naar Londen (waar ze weer een freak zouden worden).

Het programma Zoo Quest was direct een hit. Voor het eerste seizoen gingen ze naar Sierra Leone in West-Afrika om een witnekkaalkopkraai te vangen, die op dat moment in geen Europese dierentuin te zien was. Attenborough zou het programma niet horen te presenteren, maar de echte presentator liep een tropische ziekte op waaraan hij later zou bezwijken, dus moest Attenborough zelf maar voor de camera. Na een paar afleveringen begonnen mensen op straat hem aan te spreken: ga je die bloody vogel nog eens vangen of niet?

Ze vingen hem, zoals ze het seizoen daarna in Guyana een lamantijn vingen, of een zeekoe. Het dier (een stuk makkelijker te vangen) werd in een speciaal gefabriceerd zwembad van zeildoek op het dek van een handelsschip terug naar Londen gevaren, schrijft hij in Life on Air. Een seizoen later vertrokken ze naar Indonesië, op zoek naar de Komodovaraan, die tot dan toe nog nooit was gefilmd.

Zoo Quest for a Dragon is op een Kuifje-achtige manier het spannendste en grappigste boek dat Attenborough schreef (over elk seizoen Zoo Quest schreef hij een boek, de eerste drie werden twee jaar geleden gebundeld uitgegeven als Adventures of a Young Naturalist). Het natuurtoerisme van nu bestond nog niet, Komodo was alleen bereikbaar via bootjes van kapiteins die parttime piraat, parttime smokkelaar waren. Attenborough en zijn crew werden op een donkere nacht overboord gezet, aan een strand waarvan ze maar moesten hopen dat het Komodo was.

Dat was het, want ze vonden de varaan, filmden hem, lokten hem in een val – en kregen vervolgens geen toestemming om hem te exporteren naar Londen. Hij zou vast volledig tevreden zijn in het reptielenverblijf van de Londense dierentuin, schrijft Attenbourough in het postscript, maar ik ben blij dat hij op Komodo blijft, want niemand zou hem in Londen kunnen zien zoals wij hem hebben gezien, ‘majestueus en magnifiek in zijn eigen woud’.

Dit werd de Attenborough-methode: met Zoo Quest vond hij de natuurdocumentaire zo’n beetje uit, om en in de jaren daarna met de natuurseries Life on Earth (1979-2008) de kwaliteitsstandaard te zetten. Er zit vaak een antropomorfisch element in – zijn regisseerstijl is vol spanningsopbouw, de dieren worden hoofdpersonen, als kijker leef je met ze mee. De leeuw sluipt óók op jou af bij de waterplas. En ondertussen komt zo nu en dan een nette, bijna bekakte Brit in beeld, die om de kleinste natuurverschijnselen eloquent uit zijn dak gaat, blijft lachen terwijl een territoriale kalkoen hem aanvalt, zo goed de huil van een wolf nadoet dat een halve vallei wolven naar hem terug huilt, of vol empathie een blinde babyneushoorn aait.

Life werd aan honderd landen verkocht, werd door meer dan een half miljard mensen bekeken, en de presentator werd, zoals dat heet, een National Treasure. Toen dit seizoen bij de Great British Bake Off kandidaten van cake een buste moesten maken van de grootste Brit kozen ze Darwin, David Bowie, Freddie Mercury – en David Attenborough. In 2016 interviewde Attenborough president Obama op het Witte Huis – op uitnodiging van Obama. De president stelde hem bijna meer vragen dan omgekeerd. Hij heeft, volgens Wikipedia, meer eredoctoraten van Britse universiteiten dan enig ander mens, is onderhand een familievriend van de koninklijke familie en behoort tot het buitengewoon selecte gezelschap van mensen dat twee keer te gast was bij het eminente radioprogramma Desert Island Discs – alsof je meerdere keren Zomergast bent.

De eerste keer was bij presentator Roy Plumbley – ook zo’n Brits uitzendicoon – in 1979. Via de podcasts van Desert Island Discs is het gesprek makkelijk terug te luisteren. ‘Je hebt vele wonderen gezien, David?’ vroeg Plumbley. ‘Wat was het grootste?’

Volgens de studies is er één nacht in de lente in Chesapeake Bay, antwoordde Attenborough, waar, als de maan op een juiste manier staat, de Atlantische degenkrab tevoorschijn komt om te paren. Hij had fossielen van degenkrabben gezien die honderden miljoenen jaren oud waren, want de krab is nooit verder geëvolueerd. We vlogen met ons camerateam naar Amerika, vertelde hij, kwamen om een uur of vier aan bij Chesapeake Bay, vroegen iemand waar we misschien degenkrabben konden vinden, liepen naar het strand – en binnen een minuut kwamen er ontelbare degenkrabben uit de zee lopen om hun eieren te leggen. ‘En die gedachte, dat dit al zo’n 150 miljoen jaar gebeurde, precies zo, op die manier, op die plek – dat was heel ontroerend.’

Toen hij op Eerste Kerstdag 1998 nog eens te gast was herinnerde presentatrice Sue Lawley hem aan zijn bezoek aan de zoöloog Dian Fossey in Rwanda – in 1978, nog voordat ze wereldberoemd zou worden met haar boek Gorillas in the Mist. Ze begeleidde Attenborough naar de kolonie berggorilla’s die ze bestudeerde en met wie ze inmiddels zo vertrouwd was dat ze tussen hen kon verblijven. Voorzichtig, blozend en glunderend, nam Attenborough plaats tussen de apen, tot de moederaap zijn hoofd pakte, hem naar zich toe drukte en hem diep aankeek. Buiten beeld probeerden twee jonkies zijn laarzen uit te trekken.

Het fragment geldt als iconisch, het ultieme Attenborough-moment. ‘Was dat verrukking of naakte angst op je gezicht?’ vroeg Lawley.

Totale verrukking, zei hij. ‘Om zo dichtbij te mogen komen en geaccepteerd te worden door zo’n wezen.’ Ze rook lekker, zei hij, zoutig.

In Life on Air beschrijft hij dat van de ontmoeting, ‘een van de meest opwindende in mijn leven’, maar een paar minuten beeld zijn; de cameraman zat te wachten tot hij uitgespeeld was en hij eindelijk zijn ingestudeerde praatje zou beginnen over opponeerbare duimen van apen.

Die verrukking, zijn deftigheid, zijn knuffelstatus kleven aan hem – en niet alleen op een positieve manier.

Wanneer je in de database van de London Review of Books zoekt, toch zo’n beetje het beste cultuurkritische blad van het Verenigd Koninkrijk, kom je geen boek- of tv-recensies over Attenborough tegen, maar vooral vergelijkingen: ‘Die-en-die was de David Attenborough van zijn tijd.’ In een enkel geval wordt dan bedoeld dat iemand een populaire bioloog of zoöloog is, maar vaker is het een shorthand om te zeggen dat iemand zich in het hart van de gevestigde orde bevindt, zo ver dat iemands systeemkritiek tandeloos is, omdat hij er zelf zo diep in geworteld is.

Op zijn 94ste zegt Attenborough ineens: onze tijd is op. Mochten we op deze planeet willen overleven, dan moet het roer nu om

En die systeemkritiek was er niet vaak. Voor Zoo Quest kwam hij op tal van plekken terecht waar bijvoorbeeld de onafhankelijkheid werd bevochten – maar daar hoorde je geen woord over. Terwijl het halve land op z’n kop stond tijdens de Suezcrisis van 1956, waarbij Groot-Brittannië zijn status als wereldmacht verspeelde, ging hij tennissen met premier Anthony Eden, en gaf hem nog wat advies over een speech aan het land. Hij schrijft er niet bij dat Eden glashard het volk voorloog.

(Misschien moet je erbij zeggen dat Attenborough zich in zijn memoires sowieso niet tot in het diepste laat kennen: in Life on Air bijvoorbeeld noemt hij zijn vrouw Jane maar een paar keer, in het voorbijgaan. Haar plotselinge overlijden, na 47 jaar huwelijk, krijgt drie alinea’s.)

De jaren zestig gingen op een andere manier aan hem voorbij. Nu was hij vast ook te oud om deel te zijn van de protestgeneratie, maar in de tijd van de culturele revolutie in het Westen stopte hij met Zoo Quest omdat hij, zo schrijft hij in zijn nieuwste boek, Een leven op onze planeet, ‘een kantoorbaan’ kreeg. Dat is bescheiden: hij werd nog voor zijn veertigste programmabaas bij het nieuw opgerichte bbc2.

Die functie vervulde hij met verve. Om tv-kijkers ervan te overtuigen een kleurentelevisie te kopen verzon hij bijvoorbeeld de roemrijke tv-serie Civilisation, waarin oppermandarijn Kenneth Clark de kijkers langs de wereldwonderen van de kunst meenam. Uiteindelijk werd hij programmabaas van beide bbc-netten, en werd hij genoemd om directeur-generaal van de omroep te worden, maar hij trok zich terug, wilde weer natuurfilms gaan maken.

Ook die ongebreidelde liefde voor natuur is hem door milieuactivisten vaker kwalijk genomen – zijn documentaires lopen over van liefde voor dieren en planten, maar zouden te weinig aandacht besteden aan hoe de mens en zijn altijd uitdijende industrie leefgebieden vernietigden.

‘David Attenborough heeft de levende wereld waarvan hij houdt verraden’, schreef zoöloog en activist George Monbiot twee jaar geleden nog in The Guardian. In een interview had Attenborough gezegd dat de klimaatcrisis een ‘turn-off’ was, en dat hij het in zijn nieuwe serie zou ‘downplayen’, het zou een ‘grote opluchting zijn voor het politieke landschap dat onze gedachten domineert’.

Hoewel Attenborough in zijn documentaire heus wel wat aandacht had voor de krimpende leefgebieden van dieren, had hij nooit met een vinger willen wijzen, schreef Monbiot, naar bedrijven, naar overheden, naar het economische primaat van groei-groei-groei. Attenborough gaf geen coherent beeld van wat er mis is in de wereld. Als je zou vragen of de bbc of ExxonMobil het milieubeleid in dit land meer kwaad heeft gedaan, schreef Monbiot, zou ik de bbc kiezen.

Vandaar misschien dat zijn nieuwe boek, en de bijbehorende Netflix-film, A Life on Our Planet, als zo’n ongelooflijke klap aankomt – en zo inslaat bij de pers. Op zijn 94ste zegt hij ineens: onze tijd is op. Mochten we op deze planeet willen overleven, dan moet het roer nu om.

Thuis in Richmond met zijn dochter Susan en Georgie, de uit Nieuw-Guinea meegebrachte grote geelkuifkaketoe. 1958 © PA Images / ANP

In 1917 publiceerde Sigmund Freud zijn essay Rouw en melancholie, waarin hij uitlegde dat rouw iets anders is dan verdriet. ‘Verdriet is onze reactie op een verlies, rouw is de wijze waarop we dat verdriet verwerken.’ Freud sprak zodoende van een ‘rouwarbeid’, waarbij de overlevenden alle herinneringen aan de overledene opnieuw moeten beleven, alleen nu vanuit het perspectief dat we de herinneringen niet meer delen, omdat de persoon met wie we ze delen er niet meer is. Dat proces gaat niet gemakkelijk. Omdat het pijn doet, schreef Freud, schrikken we ervoor terug. Freud schreef dat rouwenden de energie die ze ooit in hun relatie met de overleden geliefde hadden geïnvesteerd moesten terugwinnen; dus was rouw een proces dat voor elke relatie anders was.

Een leven op onze planeet is rouwarbeid, anders kun je het niet noemen. Attenborough begint de film en het boek in Pripyat, Oekraïne, waar ooit de Tsjernobyl-reactor explodeerde en de grootste manmade natuurramp plaatsvond: ‘My name is David Attenborough and I’m 93.’ Hoeveel Attenborough-fans zullen bij die woorden al in huilen zijn uitgebarsten?

Nog één keer gaat hij door de hoogtepunten van zijn carrière heen. Sierra Leone, Guyana, Komodo, de gorilla’s van Dian Fossey: in vogelvlucht vertelt hij over de ontmoetingen met dieren op unieke plekken, maar nu vertelt hij erbij hoe de plekken veranderd zijn, hoe hele oerwouden verdwenen zijn, hoe dierenpopulaties gedecimeerd zijn. Bij het jaartal van de ontmoetingen heeft hij het aantal mensen ter wereld, de koolstof in de atmosfeer en het percentage van de wereld dat wilde natuur is geplaatst. In zijn levenstijd zijn we van 2,3 miljard mensen, 280 ppm en 66 procent wilde natuur, naar 7,8 miljard, 415 ppm en 35 procent wilde natuur gegaan.

Zelf noemt hij de film en zijn boek zijn ‘persoonlijke getuigenis’, maar op een bepaalde manier voelen ze aan als het werk van een man die zich zijn oude vrienden herinnert, en ze nu eindelijk aan de rouw durft te koppelen. Je kunt bijna niet anders dan die rouw met hem mee te voelen.

Op een of andere manier is het moeilijk niet aan Lonesome George te denken, de laatst overgebleven Pinta Island-schildpad, op de Galapagos. Attenborough bezocht dit ‘zeldzaamste dier ter wereld’, vlak voordat het stierf in 2012. Inmiddels is Attenborough ouder dan George, en een van de laatste mensen op televisie die de wereld nog heeft meegemaakt op een volkomen andere manier dan wij nu doen. Toen hij eropuit trok was de wereld nog onbekend, avontuurlijk, vol wonderen – nog niet volledig ‘onttoverd’ om met Max Weber te spreken.

Ook daarom is Een leven op onze planeet zo’n vuistslag: Attenborough staat de betovering nu eens niet toe, kijkt niet weg, laat zich niet afleiden door lieve beesten, noemt alle klimaatellende die ons overkomt en nog te wachten staat. Er zit, zou je denken, een direct verband tussen Een leven op onze planeet en het feit dat Attenborough eerder deze maand bij bookmakers in de top-vijf van kandidaten voor de Nobelprijs voor de Vrede stond.

Hij eindigt zijn boek met twee hoofdstukken, zoet en zuur. Het zure is de schets van hoe de decennia van de 21ste eeuw zullen verlopen. In de jaren dertig heeft de Noordpool zijn eerste ijsvrije zomer en kan driekwart van de Amazone zijn verdwenen, waardoor er een verschijnsel optreedt dat bekendstaat als ‘bossterfte’. Ontelbare diersoorten sterven uit, planten waarvan medicijnen gemaakt worden verdwijnen, het vermogen om koolstof op te nemen wordt teruggedrongen. In de jaren veertig zal de permafrost in Alaska, Noord-Canada en Rusland smelten, en zal er veertienhonderd gigaton koolstof vrijkomen, vier keer meer dan de mensheid in de afgelopen tweehonderd jaar heeft uitgestoten. In de jaren vijftig vallen de zeeën stil, sterft de visserij uit. In de jaren na 2100 zullen steden als Rotterdam, Ho Chi Minhstad en Miami niet langer kunnen worden verdedigd op het stijgende zeewater en leeft meer dan een kwart van de wereldbevolking op plekken waar de gemiddelde temperatuur boven de 29 graden ligt, waardoor landbouw onmogelijk is.

Heel zoet is het zoet ook weer niet, maar Attenborough zou Attenborough niet zijn als hij niet eindigt met een vorm van hoop. Of in ieder geval perspectief. Onder de noemer ‘De wereld weer wild maken’ komt hij met een serie voorstellen voor hoe we de bossen en zeeën zich kunnen laten herstellen, hoe we onze uitstoot kunnen verminderen. Veel van de medicijnen zijn bekend, maar moeten toch genoemd blijven worden: schone energie, duurzame landbouw en visserij, plantaardig dieet. Hij ziet grote kansen in de afnemende bevolkingsgroei, die vanaf 2050 word verwacht. Hij wijst op het verband tussen een toenemend onderwijsniveau en een krimpende bevolkingsgroei, en benadrukt dat het dus onze taak is te helpen om arme landen zich te laten ontwikkelen.

Attenborough verwijst naar Pripyat: waar de reactors explodeerden, is nu een florerende wildernis ontstaan, met bloeiende populaties vossen, elanden, herten, everzwijnen, bruine beren, wolven en wasbeerhonden. ‘Hoe ernstig onze fouten ook zijn, de natuur lijkt ze ongedaan te kunnen maken, mits ze de kans krijgt.’ Onze opgave is dat ‘mits’ mogelijk te maken.

In de London Review of Books merkte toneelschrijver (en mede-National Treasure) Alan Bennett eens op dat politici moesten oppassen wanneer iemand die zo geliefd is als David Attenborough het met hen oneens is, want ‘zijn kiesdistrict is aanzienlijk groter’ dan dat van de overheid. Nu dan heeft Attenborough eindelijk een streep in het zand getrokken en dat coherente betoog gehouden over de wereld en haar toekomst. Nu maar hopen dat mensen aan zijn kant van die streep gaan staan.

Dat ‘nu maar hopen’ klinkt vast als een open deur om mee te eindigen, maar we hebben het hier over David Attenborough, de man die een rotsvast vertrouwen in elke diersoort heeft, ook in de mens.