De inwaartse blik

‘Make America exceptional again’

Amerika raakt almaar meer geïsoleerd van de rest van de wereld, een ontwikkeling die onder Donald Trump in een stroomversnelling is geraakt. Wat betekent dit voor het land zelf?

Medium gettyimages 688273226
Brussel, 25 mei. Donald Trump en Theresa May voor een fotomoment bij de Navo © Dan Kitwood / Getty Images

Hoe alles absorberend de Amerikaanse cultuur is, merkte ik pas echt goed toen ik in 2008, ruim drie jaar nadat ik in New York was neergestreken, eindelijk mijn boeken vanuit Amsterdam liet verschepen. Ooit was ik een lezer met mondiale ambities, zo realiseerde ik me bij het openen van de dozen, die niet alleen verwoede pogingen deed de internationale canon af te vinken, maar ook manhaftig probeerde bij te houden wat er aan goeds in binnen- en buitenland uitkwam. Eenmaal hier beperkte ik mijn focus als vanzelf tot de Amerikaanse literatuur.

Dat had natuurlijk met mijn rol als Amerika-correspondent en status van verse immigrant te maken, maar ook met het aanbod: slechts drie procent van de boeken die jaarlijks in de VS verschijnen, is vertaald. De rest is Engelstalig en grotendeels van eigen bodem. Zo staat een naar Amerikaanse begrippen internationaal georiënteerd blad als The New York Review of Books heus vol verwijzingen naar Proust, Kafka en Dostojevski, maar is het merendeel van de daarin gerecenseerde boeken van Amerikaanse makelij. Het is alsof de Amerikaanse literatuur genoeg heeft aan zichzelf, kortstondige hypes rond figuren als Murakami, Knausgård of Piketty daargelaten.

Dit sentiment doet net zo goed opgeld elders in de Amerikaanse cultuur, of het nu gaat om film, tv, media, muziek of sport. Tegelijkertijd wordt de Amerikaanse cultuur gulzig omarmd elders in de wereld, hetgeen bij Amerikanen de notie versterkt dat wat uit hun vijftig staten voortkomt er meer toe doet dan wat dan ook. Franse toeristen in New York dragen hoodies en sneakers, dezelfde klof als Amerikanen dragen als ze in Parijs zijn. Voeg daarbij het besef onder Amerikanen dat hun land in militair, technologisch en economisch opzicht nog altijd geen gelijke kent en een zekere onverschilligheid jegens het buitenland is begrijpelijk.

Die onverschilligheid zie je ook terug in het politieke domein. Van buitenlandse ontwikkelingen wordt kennis genomen, hoewel vaker niet dan wel, maar ze worden zelden geaccepteerd als steekhoudend argument. Antivuurwapenactivisten kunnen cijfers aanvoeren uit landen met strenge vuurwapenwetten tot ze een ons wegen: het centrum van het vuurwapendebat – wat hebben de Founding Fathers bedoeld toen ze het tweede artikel van de Grondwet formuleerden? – zullen ze er niet mee verschuiven.

Wie in Amerika met succes een door de overheid gerund zorgstelsel wil bepleiten, verwijst niet naar de systemen van Canada, Frankrijk of een van de Scandinavische landen – ‘we zijn Zweden niet, commie’ – maar lobbyt voor ‘Medicare for all’, want Medicare, het zorgprogramma voor ouderen, kennen Amerikanen tenminste.

‘Zijn wij nou het enige land dat zo steggelt over de zorg?’ vroeg Jad, een bevriende Amerikaanse radiomaker, me onlangs. ‘Ik heb altijd het idee dat jullie in Europa gewoon universele zorg hebben en dat is dat.’ Jad leest momenteel De Tocqueville om door de ogen van een buitenstaander zijn eigen land beter te begrijpen, maar had geen idee dat de toekomst van de National Health Service een van de grote thema’s is in de Britse verkiezingen van deze week of dat Nederland een systeem heeft dat eerder lijkt op Obamacare dan op Medicare for all.

Dat is uiteraard geen verwijt: het is al lastig zat om de ontwikkelingen in eigen land bij te benen. Maar de tekortkomingen van de Amerikaanse inwaartse blik zijn er vaak niet minder opzichtig om. Ik denk bijvoorbeeld aan de gefrustreerde Nederlandse ingenieurs die ik twee jaar na de ramp met de orkaan Katrina sprak in New Orleans: ondanks hun ettelijke tegenwerpingen was het Army Corps of Engineers er bezig een nieuwe stenen muur langs de stad te bouwen, die volgens de Nederlandse experts bij de volgende storm geheid zou bezwijken.

Een van de gevolgen van de Amerikaanse inertie is het verlies van gêne

Of neem het onbeholpen fietsbeleid van de stad New York, die op willekeurige plekken fietspaden aanlegt – dan weer aan de linkerzijde van de weg, dan weer aan de rechterzijde – en dat steeds op een wijze die de heilige automobilist zo min mogelijk last moet bezorgen. Een voorlichtingscampagne voor automobilisten kwam er niet aan te pas, een degelijke studie van het fietsbeleid in Amsterdam of Kopenhagen evenmin. Voor een buitenlands perspectief is doorgaans sowieso weinig ruimte, en dat geldt helemaal voor kritische geluiden. Zelf heb ik bijvoorbeeld geleerd dat ik zelfs in gezelschap van mijn progressiefste vrienden niet moet proberen om het dodenaantal tijdens 9/11 af te zetten tegen het aantal burgerdoden in Irak. Daar zit niemand op te wachten en het leidt op z’n best tot pijnlijke stiltes.

Een van de gevolgen van de Amerikaanse inertie is het verlies van gêne. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging kreeg pas echt voet aan de grond toen het buitenland met afgrijzen de beelden uit Alabama en andere zuidelijke staten bezag, waarin agenten honden loslieten op zwarte kinderen. Dat had grote invloed op het Amerikaanse establishment, dat vervolgens de deur opende naar de Civil Rights Act van 1964. Met evenveel afgrijzen beziet het buitenland tegenwoordig de beelden van massale schietpartijen op Amerikaanse scholen of de mishandeling van zwarte verdachten door politie-agenten. Maar het buitenlandse dédain is allang niet meer genoeg om het debat te kantelen.

Een supermacht die volledig geconsumeerd wordt door zijn eigen cultuur en zijn problemen louter onder eigen voorwaarden oplost, is al snel geneigd het ook in zijn buitenlandpolitiek beter te weten dan andere landen. De term die in dit verband niet ongenoemd mag blijven is ‘Amerikaans exceptionalisme’ – het idee dat het land een unieke plaats heeft in de menselijke geschiedenis. Amerika is de oudste nog functionerende democratie ter wereld, het land van de vrijheid, inherent goed, van God gegeven. Je zou ook kunnen zeggen: Amerika is simpelweg beter dan alle andere landen.

Amerikaans exceptionalisme heeft nogal uiteenlopende consequenties. Zo heeft het idee Amerika steeds gemotiveerd tot enorme vrijgevigheid. Bij natuurrampen waar ook ter wereld zijn het vaak Amerikaanse troepen en hulpinstanties die als eerste paraat staan. Internationale samenwerking en ontwikkelingshulp, denk aan het aidsprogramma in Afrika, zijn sinds de Tweede Wereldoorlog belangrijke onderdelen van Amerikaans buitenlandbeleid.

Tegelijkertijd leidt de doctrine ertoe dat Amerika in militair en geopolitiek opzicht doet wat het wil, vaak zonder zich al te veel gelegen te laten liggen aan het internationale recht of de tegenwerpingen van bondgenoten. Zo ging het al in Korea en Vietnam en tijdens de vele interventies in Latijns-Amerikaanse landen, zo gaat het in de oorlog tegen het terrorisme. Veelzeggend was de term coalition of the willing die George W. Bush in 2002 hanteerde ten overstaan van de Navo: wie wil, mocht meedoen, maar het stond vast dat Amerika Irak zou binnenvallen. Onder Barack Obama veranderde de toon, maar ook tijdens het presidentschap van de eloquente Democraat deed Amerika wat het wilde: van militair ingrijpen in Libië tot drone-aanvallen op vermeende terroristen en het omleggen van Osama bin Laden.

Zo leidt Amerikaans exceptionalisme ertoe dat Amerika in geopolitiek en moreel opzicht steeds geïsoleerder raakt van de rest van de wereld. Alles duidt erop dat dit proces onder Donald Trump zal versnellen, met de Amerikaanse terugtrekking uit het klimaatakkoord van Parijs als jongste voorbode. Waar het land onder Obama in ieder geval in woord zich bereid toonde klimaatverandering serieus te nemen, is dit onder Trump nu geheel overboord gegooid. Nog een paar vlakken waarop de Amerikanen zich onderscheiden, vooral van hun westerse bondgenoten: de onwrikbare steun voor Israël, het gedogen van martelen, de massale gevangenzetting van eigen burgers, de losse wapenwetten in eigen land en het vasthouden aan de doodstraf.

Een nieuwe wereldorde lijkt te ontstaan. Waar Europese bondgenoten als de nieuwe Franse president Emmanuel Macron en de Duitse bondskanselier openlijk de Amerikaanse president afvallen, zoekt en vindt Amerika, tot voor kort de ‘leider van de vrije wereld’, plots steun in autocratische hoek: bij xenofobisch ultrarechts in Europa, rechts in Latijns-Amerika, de dictaturen van de Golf en Egypte, en natuurlijk Israël en de autoritaire regimes die zich niet druk maken om de schending van mensenrechten door dat land.

Trump gelooft dat Amerika in neergang is vanwege zijn activiteiten op het wereldtoneel

In de regel omarmen Amerikaanse politici, zeker die met presidentiële ambities, het idee van Amerikaans exceptionalisme – al is het alleen maar om de voorspelbare aanvallen van conservatieven te voorkomen. Hillary Clinton is een enthousiast belijder van de doctrine, Obama beleed het geloof altijd wat terughoudender maar was politicus genoeg om het te omarmen.

Trump daarentegen moet niets van de term hebben, zo maakte hij in april 2015 duidelijk tijdens een Tea Party-bijeenkomst in Texas. Hij trok in twijfel of de VS überhaupt ‘exceptioneler’ of ‘beter’ waren dan andere naties. Wie het over Amerikaans exceptionalisme heeft, vond Trump, beledigt mensen uit andere landen, zoals Rusland, China, Duitsland en Japan. ‘Het is geen aardige term’, zei hij, die mensen niet mogen gelijkstellen aan patriottisme.

Vervolgens gaf Trump een inkijk in zijn wereldbeeld, dat hij, hoe slecht geïnformeerd de man ook mag lijken, wel degelijk heeft. Trump gelooft dat Amerika in neergang is vanwege zijn activiteiten op het wereldtoneel en dat de door Amerika geleide liberale wereldorde slecht is voor Amerikaanse burgers. Hij wil dat andere landen meer doen en vooral meer betalen. ‘Ik wil alles terugpakken van de wereld wat we haar gegeven hebben’, zei hij. ‘We hebben haar zoveel gegeven.’

Hij eindigde zijn betoog, dat in inmiddels beproefd trumpiaans alle kanten opschoot, met de twee zinnetjes: ‘We hebben een schuld van meer dan achttien biljoen dollar. Ik wil ons weer exceptioneel maken.’

Het lijdt geen twijfel dat Amerika onder Trump een exceptioneel land is en dat de man zelf een uitzonderlijke president is. Maar Amerika dankt zijn exceptionele, geïsoleerde positie niet per se aan Trump, die immers pas iets meer dan vier maanden aan de macht is. Wat het moderne Amerika onderscheidt van de rest van de wereld, of in ieder geval van andere westerse democratieën, is de Republikeinse Partij en haar extreme agenda van belastingverlagingen voor de rijken en het grootbedrijf, deregulering van de financiële sector, vernietiging van de welvaartsstaat en ontkenning van klimaatverandering ten faveure van de fossiele-brandstofsector.

Daarbij vergeleken zijn de Britse Tories of onze vvd linkse rakkers. De Republikeinse agenda is zo extreem dat zij onuitgesproken moet blijven en alleen aan het conservatieve electoraat verkocht kan worden door haar te verpakken in anti-overheidssentiment, religiositeit, vrijheid, patriottisme, xenofobie en nauwelijks verholen racisme. Elke verkiezingscyclus gaat de partij daarin weer een stap verder. Donald Trump is daarvan de logische conclusie.

Hoe gevaarlijk een partij met een populistisch gezicht en een extreme agenda kan zijn, bewijst de recente geschiedenis. Aan de macht zijn de Republikeinen chaotisch, onvoorspelbaar en oorlogszuchtig, zie de presidentschappen van de jonge Bush en nu Trump. In de oppositie zijn ze louter destructief en saboterend, zie de presidentschappen van Bill Clinton en Obama. Zo houdt de partij het land al decennia lang in haar greep, ook als ze niet aan de macht is.

Zal het tot nog toe krankzinnige presidentschap van Trump tot de implosie van de Republikeinen leiden? Niets duidt erop. Een recente Pew-peiling gaf aan dat 82 procent van de geregistreerde Republikeinse kiezers tevreden is over het functioneren van president Trump. Verandering van het politieke landschap moet in het Amerikaanse tweepartijenstelsel dus van de Democraten komen. En daar wringt de schoen.

Niet dat er niet volop kansen liggen. In 2016 stemde slechts 55,4 procent van het Amerikaanse electoraat, een idioot lage opkomst natuurlijk voor een land dat zich laat voorstaan als ’s werelds oudste democratie. Onder die vele niet-stemmers bevinden zich vooral de laagste inkomensgroepen en jongeren. Met een Republikeinse Partij die moeilijk nog verder naar rechts kan schuiven, is het duidelijk dat de politieke ruimte op links ligt. In die richting moeten de Democraten zich dan ook bewegen, zeker nu peiling op peiling aangeeft dat de Democratische socialist Bernie Sanders de populairste politicus van het land is.

Maar zo werkt het niet in de door geld gedomineerde Amerikaanse politiek: de grote donoren van de Democratische Partij – Wall Street, zorgverzekeraars, professionals – willen de partij juist in het centrum houden. Het is die strijd binnen de Democratische Partij, zeg maar tussen de Bernie-factie en het establishment, die mede zal bepalen of Amerika binnen afzienbare tijd weer voorzichtig tot de vaart der liberale volkeren zal toetreden.