De macht van de internationale organisatie voor migratie

Makelaar in migratie

Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar hun land krijgen hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Eén probleempje: hoe vrij is de wil in een wereld van bajesboten, psychische problemen en vertrekpremies?

Een vogel droeg hem op terug te gaan naar zijn geboorteland. Dus vertrok de verwarde uitgeprocedeerde asielzoeker Faris (niet zijn echte naam) begin maart naar Iran, ondanks jarenlang verzet tegen uitzetting. Ook de mogelijkheid dat hij onder het generaal pardon zou vallen, deerde hem niet meer, kreeg een verslaggever van Trouw te horen. De man werd bij zijn terugkeer ondersteund door de iom. Die organisatie ging af op het onderzoek van een arts die geconcludeerd had dat Faris wilsbekwaam was. Na zijn vertrek sprak hulpverleenster Petra Schultz van de Amsterdamse vluchtelingenorganisatie askv nog één keer met hem over de telefoon. ‘Hij had geen vaste verblijfplaats, geen paspoort en leefde als een illegaal in Iran. Het was daar wel moeilijker dan in Nederland, vertelde hij, er was meer politie in de parken. Verder was hij gewoon z’n paranoïde zelf.’

Faris is niet de enige vreemdeling met psychische problemen die vrijwillig terugkeert via de iom. Met haar project ‘Randstad Return Initiative-II’ richt de organisatie zich naar eigen zeggen speciaal op terugkeer van ‘mensen met gezondheids- of verslavingsproblemen, alleenstaande minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel’. In een iom-onderzoek van januari 2004 naar ‘vrijwillige terugkeer met een schizofrene afwijking’ wordt gesproken over twaalf onderzochte schizofrene personen die uit zichzelf teruggingen naar hun land van herkomst.

Directeur Joost van der Aalst van iom Nederland erkent dat je in zulke gevallen niet alleen op de betrokkenen zelf kunt afgaan. Hij wil graag vertellen over wat de iom is en doet, maar is ook geïrriteerd over de kritiek die zijn organisatie krijgt: ‘Ik ben vooral verontwaardigd om het feit dat mensen zo weinig weten over wie wij zijn.’ Neem nu de terugkeer van mensen met psychische of gezondheidsproblemen: ‘Wij gaan daarbij uit van het advies van de behandelaar. En ja, de gevestigde opinie schijnt te zijn dat mensen met zulke problemen in hun eigen cultuur beter gedijen dan in een vreemd land.’ Van der Aalst verzekert dat de iom probeert nazorg te regelen, bijvoorbeeld medicijnen als die in het land van herkomst niet verkrijgbaar zijn.

De iom is even belangrijk als onbekend. Opgericht in 1951 met als taak te zorgen voor Europese ontheemden is ze uitgegroeid tot een toonaangevende internationale organisatie met meer dan honderd lidstaten. Doel is te zorgen voor ‘humane en ordelijke migratie’. In Nederland, waar de iom sinds 1991 actief is, worden onder meer door Nederland uitgenodigde vluchtelingen begeleid. De iom ondersteunt ook Afghanen die tijdelijk terugkeren naar hun land om te helpen met de wederopbouw. De meest in het oog springende activiteit is de vrijwillige terugkeer van migranten. Voor 2006 gaat het om 2849 mensen. Zij krijgen hulp bij het regelen van de benodigde papieren, ontvangen een vliegticket en eventueel een vergoeding voor extra kosten in het land van herkomst.

De projecten van de iom worden volledig gefinancierd door de Nederlandse overheid en de Europese Unie. Ook elders draait de organisatie op overheidsgeld. Het komt haar geregeld op kritiek te staan. Bijvoorbeeld vanuit kringen rond de ‘concurrerende’ unhcr, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. In ruil voor een zak geld zou de iom alles doen wat regeringen vragen. Eén zo’n hachelijk punt zijn de door de iom beheerde kampen op Nauru, een straatarm eilandstaatje in de Stille Oceaan ter grootte van Schiermonnikoog. Vluchtelingen worden hier volgens ooggetuigen onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten, om te voorkomen dat ze asiel aanvragen in Australië. Het kwam de iom op kritiek te staan van mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch, Amnesty International en de Wereldraad van Kerken.

Een extra bezwaar vormt de juridische structuur van de iom, die maakt dat ze niet gebonden is aan nationale wet- en regelgeving. Het zou de iom tot een soort huurling maken, die de vuile klusjes opknapt waar nationale overheden hun handen niet aan willen branden. Onzin, vindt iom-directeur Van der Aalst: ‘Bij wat op Nauru gebeurt, kun je inderdaad vraagtekens zetten. Het is geen Guantánamo Bay, er is wel menselijk leed. Maar je moet niet de zwarte piet bij de iom leggen. Wij verlenen daar humanitaire hulp. Het is de internationale gemeenschap die geen antwoord heeft op de vraag wat er met die bootvluchtelingen moet gebeuren. Trouwens, waarom wordt er nooit gekeken naar al het andere wat wij doen?’

Dat is inderdaad veel. Van het in kaart brengen van migratiestromen en het leveren van apparatuur voor grensbewaking tot het uitvoeren van een soort _greencard-_stelsel in Finland, Italië en Spanje. De iom houdt vluchtelingen kortom niet enkel buiten de deur, ze haalt ze vaak ook naar westerse landen toe. Voor radicalere critici is dat van eenzelfde laken een pak. Het internationale No Border-netwerk vergelijkt de iom met organisaties als het imf en de Wereldhandelsorganisatie: ‘Waar die organisaties de ongelimiteerde stroom van goederen en geld promoten, proberen andere het vrije verkeer van mensen te managen, te controleren en te beperken.’ De Nederlandse actiegroep De Fabel van de illegaal spreekt in een pamflet van ‘een soort internationaal uitzendbureau. Men dirigeert migranten en vluchtelingen naar de landen waar de economie hen kan gebruiken en laat hen “vrijwillig terugkeren” wanneer ze niet langer nodig zijn.’

Op die vrijwillige terugkeer, al dan niet tussen aanhalingstekens, spitst de kritiek in Nederland zich toe. ‘Ik zou het eerder gefaciliteerde terugkeer noemen’, aldus John van Tilborg, directeur van het christelijke netwerk inlia. ‘Voor vrijwillige terugkeer is vertrouwen nodig van de vreemdeling en de hulporganisaties in de iom. Dat is er niet. Ik ken verschillende gemeenten die de iom een papegaaiorganisatie van de ind vinden. Je mag best het beleid van de ind ondersteunen, maar wel op basis van feiten, niet om de ind een alibi te verschaffen. De iom laat zich voor haar karretje spannen om onwaarheden te verkondigen.’

Als voorbeeld noemt hij de terugkeer van Somalische vluchtelingen. In maart 2003 publiceerde de iom een onderzoek naar de ‘terugkeerkansen’ van Angolese en Somalische vluchtelingen. Conclusie: ‘Het leven is niet gemakkelijk, maar er zijn mogelijkheden voor zij die bereid zijn deel te nemen aan dit proces (wederopbouw – kh).’ Uit een briefwisseling halverwege 2003 tussen Van Tilborg en de toenmalige directeur van iom Nederland blijkt echter dat die organisatie vijf Somalische vluchtelingen liet terugkeren zonder te weten of ze überhaupt waren aangekomen. ‘iom kan niet zelf vaststellen dat mensen daadwerkelijk toegang hebben gekregen tot Somalië, omdat er geen iom missie ter plaatse is’, zo luidde de uitleg. De iom wist alleen dat de Somaliërs op Schiphol het vliegtuig hadden genomen om vervolgens via Parijs en Djibouti te reizen. Ook op enkele andere punten bleek het rapport feitelijke onjuistheden te bevatten. Zo zou de Somalische vertegenwoordiging in Rome waarnaar verwezen werd niet meer bestaan.

iom-directeur Van der Aalst vindt het een geval van oude koeien uit de sloot halen: ‘Dit speelde voordat ik op deze plek kwam te zitten. Ik hoef daarvoor dan ook geen verantwoording af te leggen. We weten tegenwoordig echt wel dat een persoon ter plaatse aankomt.’ Maar volgens Van Tilborg is het tekenend voor de problemen rond vrijwillige terugkeer. Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten zich inschrijven bij de iom om te laten zien dat ze meewerken aan hun terugkeer. Wie dat niet doet, wordt op straat gezet of belandt in de vreemdelingengevangenis in afwachting van gedwongen uitzetting. Ook op die plekken, bijvoorbeeld in de bajesboten, informeert de iom vreemdelingen over terugkeer. Met vrijwilligheid heeft dat weinig van doen, vindt Van Tilborg.

Daar komt bij dat mensen uit landen als Somalië of Tsjetsjenië vaak niet terug kunnen, omdat hun regeringen weigeren mee te werken of de facto niet bestaan. Voor die gevallen is er het buiten-schuldcriterium, maar dat wordt zelden toegepast. ‘En de iom weigert voor deze mensen een verklaring af te geven dat zij niet terug kunnen’, stelt Hans Alderkamp van de Groningse Werkgroep Vluchtelingen Vrij. Hij kent veel van zulke gevallen uit het vertrekcentrum in Ter Apel: ‘Als je er alles aan doet om mensen terug te laten keren, moet je ook eerlijk toegeven als dat niet mogelijk is. Maar dat doet de iom nooit.’

Van der Aalst herkent zich niet in alle kritiek. Van aanschurken tegen de overheid is geen sprake, vindt hij: ‘Natuurlijk is het verdomd vervelend om te moeten kiezen tussen met onbekende bestemming uit de opvanglocatie vertrekken, opgepakt en vastgezet te worden of vrijwillig terug te keren. Maar het zijn verschillende opties, je hebt een keuze.’

Gelukkig voor hem is er ook bijval van maatschappelijke organisaties. ‘Wij constateren dat in de grote steden heel veel mensen leven – of beter: overleven – van wie we niet eens weten dat ze bestaan’, zegt Paula Rotteveel van de Rotterdamse Pauluskerk. Vanuit die dagelijkse praktijk werd het idee geboren voor het eerder genoemde Randstad Return Initiative. Centraal daarin staan de native counsellors. Deze medewerkers zijn afkomstig uit verschillende bevolkingsgroepen. Zij gaan naar plekken waarvan bekend is dat er veel illegalen komen, om hen vervolgens in de eigen taal te benaderen. Zo’n gesprek over terugkeer is geheel vrijblijvend, benadrukt Van der Aalst: ‘Als iemand niet met ons verder wil, verdwijnen diens gegevens in onze archieven. Daar heeft verder niemand toegang tot. Zeker niet de overheid of de vreemdelingenpolitie.’ De iom hoopt via het Randstad Return Initiative zo’n duizend vreemdelingen per jaar te laten terugkeren. Op dit moment zijn het er nog maar enkele honderden.

Van der Aalst: ‘We werken voor dit project samen met lokale belangenorganisaties en zelforganisaties van migranten. Die kunnen een financiële vergoeding krijgen voor hun bemiddeling tussen de potentiële doelgroep en de native counsellors.’ Die vergoeding bedraagt 250 euro per teruggekeerde vreemdeling, zo blijkt uit een infosheet van de iom voor ngo’s. Voor verslaafden, mensen met medische problemen of andere vreemdelingen voor wie extra hoge kosten gemaakt zijn, geldt een vergoeding van vijfhonderd euro.

De vraag is of dat geen perverse financiële prikkel is, eentje die neutrale vluchtelingenorganisaties in de verleiding kan brengen net iets te enthousiast aan te dringen op ‘vrijwillige’ terugkeer bij hun cliënten. Rotteveel van de Pauluskerk ziet het gevaar, maar zegt neutraal te willen blijven: ‘In het verleden was er een algemene vergoeding. Dat was misschien beter. Dit voelt nog steeds alsof je een soort bounty hunter bent. Dat ben ik niet en dat wil ik niet zijn.’ Ze schat in dat de animo bij ondersteuners om zo’n vergoeding aan te vragen laag is: ‘Zelf declareer ik soms wel. We maken veel kosten voor mensen die terugkeren, bijvoorbeeld met de nachtopvang. En je bewijst de samenleving en de stad ook een dienst door mensen die op straat leven terug te laten keren.’

Van der Aalst sluit zich bij haar aan. Hij wijst erop dat de kosten van het project verantwoord moeten worden met meetbare prestaties, vandaar de betaling per teruggekeerde vreemdeling. Dat is een door de subsidiegever, het ministerie van Justitie, opgelegde verplichting. Van der Aalst: ‘Ik wil absoluut niet de indruk wekken dat wij losgeld betalen voor mensen die vreemdelingen overhalen om terug te keren.’