Maken wij journalisten ons daar schuldig aan?

Als je bij NRC Handelsblad algemeen politiek redacteur bent op het Haagse Binnenhof, dan heb je als bijnaam redacteur ‘rel en reflectie’. Nog voordat het boek Wij begrijpen elkaar uitstekend van voormalig redacteur ‘rel en reflectie’ Pieter van Os vorige week werd gepresenteerd, was er al een klein relletje. Uit een voorpublicatie in de eigen krant bleek dat Van Os in zijn boek onder meer collega Marc Chavannes ervan beschuldigt een salonpopulist te zijn. De laatste sloeg een paar dagen later terug, ook in de eigen krant. Dat trok aandacht.

Pieter van Os, Wij begrijpen elkaar uitstekend, € 16,95

Dominique van der Heyde, Spitsroeden lopen in Den Haag, € 15,-

Medium os   wij begrijpen elkaar uitstekend

Dan zou je kunnen zeggen dat vier jaar redacteurschap rel en reflectie Van Os in ied

Medium heyde  dominique spitsroeden lopen in den haag

er geval heeft geleerd hoe je publiciteit moet trekken om de verkoop van je boek te bevorderen. Maar zo cynisch wil ik niet worden. Na zijn boek gelezen te hebben geloof ik ook dat daarmee onrecht wordt gedaan aan wat Van Os met zijn bewering wil aankaarten. Hij wil ons, journalisten, analisten, commentatoren en columnisten die over politiek schrijven een gewetensvraag voorhouden: stoken wij de afkeer in de samenleving over de politiek op door te snel met onze mening klaar te staan en te weinig oog te hebben voor de inhoud van politieke kwesties en de belangenafweging waar politici voor staan? Niet leuk om van beschuldigd te worden, maar altijd goed om over te reflecteren.

Het relletje over het salonpopulisme zet overigens een verkeerd beeld neer van het boek dat Van Os heeft geschreven. Dat is niet één grote aanklacht tegen de macht van de media. Wij begrijpen elkaar uitstekend is vooral het verslag van Van Os’ eigen ervaringen in de vier jaar dat hij op het Binnenhof rondliep. Hij schildert met tal van voorbeelden het geworstel in de omgang tussen pers en politiek op die Haagse vierkante kilometer, de concurrentiestrijd tussen de media en de druk vanuit het ‘hoofdkantoor’ van de krant. Het zijn vooral die – vlot geschreven – passages die blijven hangen en de student journalistiek of politicologie dan wel de geïnteresseerde buitenstaander een leuk inkijkje geven.

Hilarisch is de manier waarop een naaste collega Van Os leert dat hij niet zo aardig moet zijn tegen politici en hem wil doen begrijpen dat politici er juist naar verlangen met journalisten te praten. Herkenbaar is de passage waarin pvda-minister Ronald Plasterk en zijn woordvoerder van alles proberen om een in hun ogen onwelgevallig profiel van de minister uit de krant te houden. Begrijpelijk is de ergernis van toenmalig GroenLinks-leider Femke Halsema over het steeds maar weer opvoeren door de pers van hetzelfde kritische partijlid om te suggereren dat er reuring is in de partij.

Onthutsend is het om te lezen dat Van Os net zo lang wetenschappers blijft bellen totdat hij iemand heeft gevonden die zijn eigen, vooropgezette mening eindelijk bevestigt, zodat Van Os het stuk kan schrijven dat hij al in zijn hoofd had. Maar ook voor dat laatste geldt, net als voor het salonpopulisme, dat het een aanzet tot zelfreflectie biedt: maken wij journalisten ons daar schuldig aan?

Wat Van Os met zijn anekdotes vooral laat zien, is hoe pers en politiek elkaar in Den Haag in een wurggreep hebben, zoals hij dat noemt. Als het ook zijn bedoeling zou zijn geweest om te beschrijven of en hoe die wurggreep de politieke besluitvorming ook daadwerkelijk inhoudelijk beïnvloedt, of een eindoordeel wil vellen over wie nu wie aan een touwtje heeft op het Binnenhof, dan is hij daar niet in geslaagd. Maar na lezing weet ik niet of dat zijn bedoeling wel was, al doen verwijzingen naar wetenschappers en hun theorieën soms vermoeden van wel. Het belangrijkste resultaat van dit boek lijkt toch dat Van Os inzicht geeft in het dagelijkse gemodder op het Binnenhof.

Soms wil Van Os zijn collega-journalisten met die praktijkvoorbeelden dwingen tot zelfreflectie, een andere keer vraagt hij de lezer juist om begrip voor de moeilijke manier van werken op het Binnenhof, voor zowel journalisten als politici. Naar verluidt werd bij de presentatie van zijn boek opgemerkt dat Van Os vooral belijdenis doet. Dat lijkt mij een rake samenvatting.

Ook van nos-verslaggeefster Dominique van der Heyde is op Prinsjesdag een boek verschenen. De titel daarvan, Spitsroeden lopen in Den Haag, doet vermoeden dat ook zij het heeft over de omgang tussen journalisten en politici en hoe complex die is. Bovendien staat op de achterflap dat het boek een blik biedt achter de schermen van de politieke verslaggeving. Wie daarop afgaat, wordt teleurgesteld, want dat kijkje in de keuken krijgt de lezer niet. Wie daarnaar op zoek is, kan beter Van Os lezen.

Van der Heyde’s boek is vooral een bundeling van de columns over de actuele politiek die de televisieverslaggeefster het afgelopen jaar schreef voor het gratis dagblad Spits. Wie zich dat realiseert, ziet ook ineens dat met de titel van het boek is gezocht naar een woordspeling met de naam van het dagblad.

De columns zijn tijdgebonden en nemen je week voor week mee naar wat er op dat moment speelde op het Binnenhof. Alles komt nog een keer langs: de aanloop naar de verkiezingen, de plotselinge omslag in de kiezersgunst van de pvda, de formatie, het gedoe rondom de inkomensafhankelijke zorgpremie, de Bulgarenfraude, et cetera. Het boek leest als een reep luchtige chocolade: het hapt makkelijk weg, maar vult niet.


Pieter van Os, Wij begrijpen elkaar uitstekend, Prometheus Bert Bakker, 296 blz., € 16,95

Dominique van der Heyde, Spitsroeden lopen in Den Haag, Querido, 124 blz., € 15,-