Maker, en dus faler

EEN OPERABEGIN noemt Ivo Michiels de ouverture van zijn nieuwste boek Sissi, en dat is het ook. Hollywood is er het passende decor voor. Bij zijn aankomst in de filmstad komt hij per vergissing in het verkeerde hotel terecht, maar dat lijkt meer lotsbestemming dan toeval. Want zo ontmoet hij de mooie Aurora met de amandelogen, die hem door haar naam het melodrama Sunrise van regisseur Murnau uit de alfatijd van de film in herinnering brengt, en daarmee de liefde. De liefde voor de film zal al snel blijken, maar niet minder de liefde voor Aurora zelf, die film en hartstocht in zich verenigt en in de vorm van Sissi onsterfelijk voor hem is geworden - Romy Schneider.

Veertig jaar geleden ontmoette hij de toen al beroemde filmster in een Weense bar. Sindsdien heeft hij haar gevolgd. Al haar rolprenten zag hij, vaak zelfs ‘tot tranen toe bewogen’. En dat is slechts een van de vele zinnen en zinswendingen waarin onversneden operapathetiek ongegeneerd meeloopt. Romy en Ivo voerden een gesprek van niks, toch zal hij zich de gebeurtenis blijven herinneren als 'een avond van glunderende zoetheid’. Even was er dat gevoel van la vie en rose en de sensatie van een mogelijke romance. Maar het mocht helaas niet zo zijn. Roze is nu nog alleen het boekomslag met daarop een fotomedaillon van hun samenzijn. Met daarboven een strik, waardoor de suggestie ontstaat dat je het fotoalbum van een bruidspaar openslaat. Kennelijk een speelse knipoog naar de wereld van de Bouquetreeks.
DE BEWONDERING voor Romy Schneider is in al die veertig jaar nooit verflauwd. Dat blijkt overduidelijk uit de wijze waarop Michiels over haar schrijft; die is elke schaamte voorbij. 'Romy-de-eeuwige’ heet ze, en op diverse plekken zelfs 'Holy Romy’. Ze is idool en icoon tegelijk, en de staat van genade waarin ze hem brengt, juist tijdens het schrijven, ontlokt hem de vraag of het misschien een perversiteit is, 'dit plegen van een boek waarin Wenen voor Rome staat en Sissi voor Amen’. In alle toonaarden zingt Hartenheer Michiels de lof van deze vrouw 'met de ontelbare A(a)ngezichten in wie ik mij heb verloren én verlies’. De woordspeling in deze opmerking verheft Sissi zelfs tot symbool van de vrouw, in het werk van Michiels tot nu toe altijd anoniem gebleven onder de naam An.
Dat zingen mag overigens gerust letterlijk worden genomen. Zoals we van Ivo Michiels gewend zijn, is Sissi opnieuw een boek vol stemmen, stemmingen en woordspel, met een klankrijke woordkeus en zinnen waar muziek in zit. Het scharnierpunt erin, 'Boedapest, zei ze’ - over een vrouw die uit het concentratiekamp B.-B. terugkeert -, is dan ook een tekst die het beste tot zijn recht komt als hij wordt gesproken of hardop gelezen, een partituur voor twaalf stemmen en even zoveel televisietoestellen.
Mocht inmiddels de indruk zijn gewekt dat Sissi een boek is vol min of meer hooggestemd belcanto, dan is een nuancering op zijn plaats. In Sissi krijgt, geheel in overeenstemming met de van vals sentiment druipende film van weleer, de banaliteit van de smartlap al evenzeer een eigen plaats. Bijvoorbeeld wanneer Michiels het heeft over Romy’s uitdagend wiegende heupen, haar draaiende kontje en stilvallende gatje. Als hij haar toezingt in een zin als: 'Je gelooft me wanneer ik zeg dat je ogen de meest van honing en melk verzadigde tepels zijn waaraan ik me ooit heb mogen bezatten.’ En misschien nog wel het meest in dat schaamteloze, bizarre verhaal waarin hij beschrijft hoe tijdens een voorstelling het licht in de bioscoopzaal aanfloepte en Romy in de plotse overdaad van licht angstwekkend verbleekte 'en als het ware volkomen uit mij weggleed’. Huilend stormt hij vervolgens de zaal uit, om maal buitengekomen zijn hoofd tussen haar dijen op het affiche te drukken.
SISSI, DIT achtste deel uit zijn romancyclus Journal brut, is Michiels’ boek over contrasten, 'een boek van/in zwart en wit’, over droom en werkelijkheid, woord en beeld, gekaderd in de tegenstelling licht en donker. Dat is bij uitstek die waaraan laterna magica en film hun bestaan danken, de achtste kunst die zich nog altijd beweegt tussen volksvermaak en artisticiteit. De vorm die Michiels ooit voor zijn project koos en die hij niet zonder koketterie hardnekkig 'kladboek’ blijft noemen, bewijst ook nu weer zijn bruikbaarheid. Moeiteloos kan hij er zijn eigen bemoeienissen met de film in kwijt. Om te beginnen de dagboeknotities over zijn samenwerking met André Delvaux, regisseur van de film waarvoor hij het scenario schreef, Een vrouw tussen hond en wolf (1979). Daarnaast een nooit voltooid filmscript, dat in zijn mislukking toch nog iets laat zien van de oorspronkelijke intentie literair schrijven en filmschrijven in elkaar te laten opgaan. Aan het slot is er de tekst van het filmgedicht De man voor het venster, dat Michiels wijdde aan zijn levensstad Antwerpen, waarbij werk van Maurice Gilliams uitgangspunt is en waarin andere toonaangevende Antwerpenaren als de schilder Henri de Braekeleer en Paul van Ostaijen evenmin ontbreken.
Net zo onnadrukkelijk en vanzelfsprekend als de manier waarop Michiels zijn voltooide filmactiviteiten in dit 'boek van het scherm’ kan inpassen, kan hij er weer al die vragen in kwijt die we al langer van hem kennen, maar die zich voortdurend modificeren en steevast te maken hebben met aard en techniek van het schrijven, en met de verhouding tussen tekst en werkelijkheid, en die voor deze gelegenheid zijn toegespitst op de praktijk van het schrijven voor film.
Vanaf nu weten we ook hoe het creatieve proces bij Michiels op gang komt: filmisch bijna. Aanvankelijk zijn er nog geen beelden, maar trillingen, lijnen en punten die 'opflitsen, flikkeren, donkerder worden en weer lichter, dichter worden, ten slotte toch verdichten tot beelden, tegen elkaar opbotsende, over elkaar heen tollende beelden van alle slag’.
'WE BLIJVEN makers en dus potentiële falers’, schrijft Ivo Michiels. Inderdaad, niet alles is geslaagd, alles wordt goedgemaakt door dat juweel van een nog te verfilmen verhaal uit Utah - Robert Redford had er plannen voor - waarin de om zijn zang gevierde mormoon Ebenezer zich omringt met steeds meer vrouwen. De bevolking kan de uitbreiding van zijn bestand volgen via de schoorstenen die hij voor ieder van hen op zijn huis laat zetten. Uiteindelijk wekken zijn escapades zozeer de dorpswoede dat Ebenezer met de kerk waar hij zijn triomfen vierde, in rook zal opgaan.
Ivo Michiels blijft wie hij is. Een vakman van aparte klasse, de opgewektste telganger uit onze literatuur.