Malcontente wietkoker

In de geschiedenis van het naoorlogse Parool, geboekstaafd door Gerard Mulder en Paul Koedijk, speelt Sal Tas een bijrol als man die namens de krant de wereld inventariseerde. Was hij ‘een werkelijk groot journalist’, zoals werd gezegd toen hij in 1961 tot officier in de Orde van Oranje-Nassau promoveerde? Of leed hij, zoals Mulder en Koedijk menen, aan ‘bijna maniakaal aandoende zelfoverschatting’?

Max Pam, wiens vader buitenlandredacteur van Het Parool was, en enige komische herinneringen aan ‘oom Sal’ heeft opgeschreven, meent dat Tas door Mulder en Koedijk net iets te serieus is genomen. 'Als Tas naar Engeland gaat’, placht de oude Pam te zeggen, 'denkt hij dat Macmillan hem op de krijtrotsen staat op te wachten.’ Zelf beweerde Tas dat al wat hij schreef 'sanderendaags op het bureau van de president van Amerika belandde. Het is mogelijk. Ongetwijfeld had het Witte Huis meer belangstelling voor Tas’ pleidooien voor een preventieve oorlog, inclusief het gooien van atoombommen, dan voor de vierkante millimeterjournalistiek ('kat-te-water’) van bijvoorbeeld een Parool-redacteur als Henri Knap. 'Een vreemde kerel was het wel’, constateert Max Pam. 'Als je in Parijs bij hem thuis kwam - Tas was daar correspondent - werd je ontvangen in een kakofonie van geluid. Tas stond dan voor de grammofoon en dirigeerde oorverdovende symfoniegeluiden met de gebaren en de allure van de sterdirigent. Daarna werd er lang over de internationale politiek gesproken. Als wij een paar uur later wegreden tikte mijn vader tegen zijn voorhoofd.’
Omdat ik jarenlang uit pure armoede mijn boeken voornamelijk bij De Slegte kocht, ken ik Tas’ gehele oeuvre. Zijn boeken over buitenlandse politiek zijn werkelijk meer dan verschrikkelijk, zijn bundel cultuurpolitieke beschouwingen (Analyse van een charme) is erudiet en wat ouderwets, inclusief die onbeteugelde aanval op Herman Heijermans, die Tas waarschijnlijk veel te links is geweest. Niettemin, je kunt beter een slecht oordeel over een intellectueel thema hebben dan geen oordeel, vandaar dat ik altijd een zwak voor Sal Tas en zijn levenslange vriend Jacques de Kadt heb gehad.
Een keer heb ik De Kadt gezien, bij de presentatie van de herdruk van zijn Het fascisme en de nieuwe vrijheid. Leo Pam hurkte bij die gelegenheid aan des denkers bottines en kuste zijn zegelring. Een keer heb ik Sal Tas mogen meemaken, tijdens een journalistentripje door de Bondsrepubliek. Wat kon het mij schelen dat die man op de loonlijst van de CIA stond? Hij had, blijkens zijn publikaties, verstand van Shakespeare, die ik reeds toen interessanter vond dan Allen Dulles. 'Kijk, Sal’, zei ik, wijzende op een affiche, 'vanavond de Zesde van Mahler in de Robert Schumann-Saal. Zal ik proberen daar kaarten voor te krijgen?’ Volgde die atomaire ontploffing waarmee Tas het expansieve communisme dacht te beteugelen. Want Mahler was ordinair en als hij ergens een hekel aan had… Ik haalde mijn schoudertjes op en dacht: Die moet ik voor de rest van onze tournee uit de weg zien te blijven.
Hij eindigde als malcontent voor de Tros-televisie, gespecialiseerd in zedenverwildering en linkse studenten. Niet goed bij zijn hoofd. Toch heb ik een zwak voor mensen als hij, het soort dat de joden een wietkoker noemen.