Malinese vrouwen vrezen ­rebellen in de woestijn

Gao – De straten in het ‘Quartier Perdu’ zijn van zand en soms vijftig, zestig meter breed. De huizen liggen ver van elkaar. Wie hier woont, is verloren, vergeten.

M’Barka Cissé (40) woont er, met vijf van haar kinderen en haar man. Hij is werkloos, zij kostwinner. Ze zit beschut tegen een zandstorm bij haar woning. Naast een tafeltje met groenten, kookgerei, rijst. Haar buurtrestaurantje.

Het is zo’n twee jaar nadat Touareg-rebellen en kort daarop jihadisten de noordoostelijke stad Gao overnamen en de sharia invoerden. ‘Ik was bang voor mijn kinderen, die heb ik naar Bamako gestuurd. Twee van hen zijn daar nog. Maar mijn man en ik zijn gebleven. Van veel mensen die wegtrokken, zijn de huizen vernield. Dat wilden we niet laten gebeuren. Wij zijn blijven koken voor de mensen die ook besloten te blijven.’

De VN proberen de stabiliteit in Mali te bewaren, sinds Franse troepen begin 2013 de strijd aangingen met de rebellen. VN-militairen patrouilleren samen met Malinese soldaten in de grotere steden van het noorden. Maar kleine stadjes en dorpjes en het platteland kampen nog steeds met Touareg-rebellen (mnla) die een onafhankelijke staat in het noorden willen, en met extremistische moslimgroeperingen. Tegelijkertijd wordt achter de schermen onderhandeld over vrede, en een vorm van verzoening.

Die politiek gaat goeddeels aan vrouwen als Cissé voorbij. Zij waagde het in Gao te blijven, de stad waar inmiddels ook Nederlandse militairen gelegerd zijn. In juni 2013, op het hoogtepunt van de oorlog, waren er ruim 522.000 Malinezen op de vlucht. Dat zijn er nu nog ongeveer de helft.

Arkia Badou, weduwe en moeder van zes, keerde onlangs terug. ‘Toen de mnla mijn huis binnenviel, vertrokken we. Bang om verkracht te worden, bang dat ze mijn kinderen mee zouden nemen.’ Nu ze is teruggekeerd probeert ze haar leven te herpakken. Dat valt niet mee. Handel drijven met andere steden is nauwelijks mogelijk, omdat de wegen nog niet veilig zijn. Zowel Cissé als Badou probeert met geld van een ngo haar bedrijfje draaiende te houden, kleine restaurantjes. Een tafel, een gasstel en wat potten en pannen. Cissé kreeg 150 euro, Badou de helft. Badou: ‘Heel langzaam gaat het beter. Maar zolang de rebellen nog in de woestijn zitten, durven wij niet te hopen op blijvende vrede. We hopen op een goede dag vandaag, en morgen weer een.’