Holland Festival - Migrantentoneel van het Maxim Gorki Theater

Malle dansjes en slaande portieren

De troep van het kleinste stadstheater van Berlijn speelt met Der Untergang der Nibelungen een oer-Duits verhaal vol agressie, vernielzucht en machismo.

Medium hfloek

Berlijn – De Nibelungen-heldin Brunhilde, koningin van IJsland, is een man. Of liever: een transseksueel in ultrakort leren rokje en gerafelde netkousen, uitgedost met een Julianne Moore-pruik en een Conchita Wurst-sikje. De Bourgonden (lees: Nibelungen) uit de Noord-Duitse sagenkring wonen niet aan het statige hof van Worms, maar in een afgetrapte, van voren zwaar beschadigde Mercedes, type S-klasse, met een zeer Duits nummerbord: B-RD 8914. De oorlogen tussen de Hunnen (‘Heunen’) en de Bourgonden worden uitgevoerd met slaande portieren en tot drie maal herhaalde Autobahn-botsingen, die buiten beeld maar zeer hoorbaar plaatsvinden. Het Hunnenvolk van koning Etzel is een in zwart-wit uitgedost gezelschapje malloten met rare kapsels en malle dansjes, die a capella te pas en te onpas de Irving Berlin-hit They Say It’s Wonderful zingen.

Welkom in de verfrissend uitgevoerde, oer-Teutoonse monstertragedie van Friedrich Hebbel uit 1861, Die Nibelungen, die in het origineel als volgt is ingedeeld: ‘De gehoornde Siegfried’, ‘Siegfrieds dood’ en ‘Kriemhilds wraak’. Maar wie de toneelvariant van Fritz Langs legendarische stomme filmbeelden uit de jaren twintig van de vorige eeuw verwacht, die zit hier verkeerd. Wie hoopt op een even rauwe verbouwing van de Nordische Mythen als in NibelungenBorn Bad van Frank Castorf bij de Volksbühne (uit 1995) eveneens.

Tot een wagneriaanse Götterdämmerung zal het hier ook niet komen. Iedereen wordt de godenschemering eenvoudigweg ontzegd. De radicale ondergang van het oude Avondland wordt de nieuwe Duitsers in deze Der Untergang der Nibelungen bot geweigerd. De slotmonoloog gaat over voetbalnederlagen en ernstig dalende exportcijfers. Dit lijkt een discours tussen Deutsche Klassik en een chaotische multinationale metropool anno 2015. We zijn in het Maxim Gorki Theater, vlak bij de voor de zoveelste keer gesloopte en opnieuw gerenoveerde befaamde flaneerboulevard Unter den Linden.

Het gebouw van het Maxim Gorki Theater am Festungsgraben is van oorsprong de oudste concertzaal van Berlijn. Hier ging op 11 maart 1829 de herontdekte Matthäus Passion van Bach in première, uitgevoerd door orkest, koor en solisten van de Berlijnse Sing-Akademie onder leiding van Felix Mendelssohn Bartholdy, die het werk had uitgegraven en aan de vergetelheid ontrukt. Hier kwam vanaf de zomer van 1848 ook de Preussische Nationalversammlung bij elkaar, een ‘operette-parlement’ na de eerste algemene verkiezingen in Pruisen van dat jaar. En hier hield de grote natuurkundige Alexander von Humboldt zijn legendarische openbare hoorcolleges over het universum, de Kosmos Vorlesungen – er wordt in de _Nibelungen-_voorstelling zijdelings aan gerefereerd.

Dit gebouw, kortom, ademt geschiedenis. Er werd in 1952 een toneelensemble gevestigd, waar door de ddr-autoriteiten ‘socialistisch-realistisch’ repertoire werd besteld, als antwoord op en tegenhanger van de door het regime vervloekte epische theaterexperimenten van Bertolt Brecht, in het Theater am Schiffbauerdamm, een halve kilometer verderop. En toen de ddr in de tweede helft van de jaren tachtig op zijn grondvesten begon te wankelen, werd in deze zaal het kritisch repertoire gespeeld dat voeding gaf aan de volkswoede van 1989. In 1988 zag ik hier Volker Brauns stuk Uebergangsgesellschaft, een soort Tsjechov meets Stalin, De drie zusters, maar dan in een staatssocialistische dictatuur die aan het afbrokkelen is. Toen de Muur was gevallen speelde het Gorki-ensemble voor het eerst da drüben George Tabori’s Hitler-farce Mein Kampf, en dat was een revelatie in het zichzelf altijd met een bombastisch antifascisme op de borst roffelende Oost-Duitsland. En het was ook nog een verdomd mooie voorstelling.

Een paar jaar terug heeft zich hier in dit classicistische toneelhuis een geheel nieuw soort revolutie voltrokken, in de vorm van een goed georganiseerde Babylonische spraakverwarring. Sinds het seizoen 2013-2014 is het gebouw namelijk overgenomen door producente Shermin Langhoff (in 1969 geboren in Bursa, Turkije) en dramaturg Jens Hillje (1968), opgegroeid in Milaan en München, tot voor enkele jaren de vaste dramaturg van Thomas Ostermeier van de Schaubühne aan de West-Berlijnse Kurfürstendamm. Samen leidden Langhoff Hillje tussen 2008 en 2013 het kleine theater Ballhaus Naunynstrasse, in Friedrichshain-Kreuzberg, met als programmatisch doel vooral ‘postmigrantische’ theaterproducties. Hun grootste toneelhit was in 2010 Verrücktes Blut van Nurkan Erpulat (tekst en regie) en Jens Hillje (tekst en dramaturgie). Een bloedspannend stuk over een lerares op een multiculturele school, die bij toeval een pistool in handen krijgt, daarmee haar met weerspannige en half criminele migrantenleerlingen gevulde klas gijzelt en hen dwingt Schillers Räuber te gaan spelen en bediscussiëren.

De voorstelling (ondertussen ook op dvd uitgebracht) zette in als thriller, schakelde daarna vrij snel naar komedie en melodrama, vice versa. De productie was toen wat ze hier ‘ein Renner’ noemen, een toneelavond waar op den duur iedereen naartoe wil. De voorstelling werd vorig jaar geselecteerd voor het jaarlijkse Berlijnse theaterfestival. Toen het Gorki Theater in 2013 vrij kwam (de intendant was naar Stuttgart verhuisd, met medeneming van vrijwel alle toneelspelers), werden Shermin Langhoff en Jens Hillje uitgenodigd om van Kreuzberg naar hartje Berlijn te verkassen. Denk je zo’n verhuizing in naar Amsterdamse verhoudingen, dan is het of de theatermakers van Podium Mozaiek in West en het Bijlmer Parktheater wordt gevraagd de theaters in de Amsterdamse Nes over te nemen.

Gorki’s frisse huisstijl van sterke foto’s en teksten haalt zelfs Bild. Dat is nog eens met toneel een stad veroveren!

Langhoff en Hillje aarzelden geen moment, ze namen hun getalenteerde huisregisseurs Nurkan Erpulat, Sebastian Nübling (die Nibelungen heeft gemaakt) en de Israëlische theatermaakster Yael Ronen mee, en een twintigkoppig ensemble, waarin behalve plat Berlijns en hoog-Duits ook intensief Turks, Servisch en Russisch wordt gesproken. Meteen na hun eerste seizoen in het Gorki Theater werd de troep door de critici tot ensemble van het jaar uitgeroepen. Het publiek is aanzienlijk verjongd, maar de oude abonnementhouders en toeschouwers zijn niet massaal weggelopen – de gemiddelde leeftijd van de bezoekers is op het moment 42. Gorki’s frisse huisstijl van sterke foto’s en aanspreekbare teksten haalt zelfs de pagina’s van Bild. Dat is nog eens met toneel een stad veroveren!

En het zal tijd worden ook. Het Duitse stadstheater lijkt toe aan wat herstelwerkzaamheden. Er wordt geklaagd over een constante overproductie voor een slinkend publiek en over gebrek aan onderlinge samenwerking. Voorstellen om zelfs nog harder op de podiumkunsten te bezuinigen dan vijf jaar terug in Nederland gebeurde (niet een kwart schrappen, zoals bij ons, maar de subsidies tot de helft terugbrengen, zoals een paar jaar geleden werd voorgesteld in het boek Der Kulturinfarkt) stuiten in Duitsland voorlopig nog op een onverbiddelijk veto. Maar er mag wel het een en ander op de schop. Om te beginnen in de manier van produceren en in de organisatie van de toneelfabrieken.

Het Maxim Gorki Theater geeft het voorbeeld. Het ensemble, met een vrij kleine ‘grote’ zaal (440 plaatsen) en een Studio-Bühne, en met 160 medewerkers, heeft een budget van 10,3 miljoen euro waarin zo’n 700.000 euro is gereserveerd voor nieuwe producties. Ze investeren veel in hun publiek (ontvangst en omgang, ‘onthaal’ zeggen de Vlamingen), en bouwen aan een zorgvuldig repertoire. En ja, ze willen klassiekers spelen. In hun eerste seizoen was de openingsvoorstelling Tsjechovs Kersentuin, waarin de opkoper van de tuin, Lopachin, de vertegenwoordiger van het ‘nieuwe geld’ in het stuk, werd voorgesteld als de zoon van een Turkse groentehandelaar die zich had opgewerkt. Oom Wanja ging deze dagen in première. Shakespeare staat op de verlanglijst. Maar de nieuwe leiding van het ensemble wil ook investeren in vers repertoire dat op de huid van het jonge publiek en met de hartslag van de eigen tijd wordt gemaakt.

Een geslaagd voorbeeld daarvan is het in maart 2014 uitgebrachte Common Ground van huisregisseur Yael Ronen, dat voor volle zalen speelt en dit jaar voor het nu lopende festival Theatertreffen is uitgenodigd. Een toneelavond die barst van urgentie zonder zwaar op de hand te worden. Geen politiek toneel van beterweters, eerder ironisch van toon en ook met een stevige emotionele impact. Aan het begin van de avond worden de contouren geschetst van de jaren negentig. Een soort breed uitwaaierende tour d’horizon – de kampioenen van Wimbledon, de muziek van Nirvana en Portishead, de eerste veldtocht tegen Saddam Hoessein.

Langzaam maar zeker schakelt de handeling naar de burgeroorlog in de buik van Europa. Jasmina Music en Mateja Meded zijn vrouwen van midden twintig, ze leven in Berlijn, ver van hun stad Prijedor in Noordwest-Bosnië. Ze reizen terug naar die streek, waar in 1992 de eerste zogenaamde concentratiekampen voor etnische zuiveringen werden aangetroffen. De vader van Meded ligt hoogstwaarschijnlijk in een massagraf ergens in de vlakten rond Prijedor. En de welvarende vader van Music, die leiding gaf aan een strafkamp, zit ergens ondergedoken om de aanklager van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag te ontlopen. Een Duitse vriend van het tweetal stelt in de voorstelling bijna jubelend vast: ‘Wow! Weer concentratiekampen op Europese bodem. Maar deze keer heeft Duitsland er helemaal niks mee te maken! Wat een opluchting!’ En een vriend uit Israël verzucht: ‘Als ik kijk naar de etnische zuiveringen in het voormalige Joegoslavië lijkt het er alle schijn van te hebben dat wij in Israël toch niet het most fucked up volk in de wereld zijn!’

De jacht op Siegfried in Der Untergang der Nibelungen wordt in de voorstelling van het Maxim Gorki Theater verlegd naar een Berlijnse variant van Yab Yum, een luxe bordeel. De wodka vloeit rijkelijk, iedereen komt aan zijn gerief, uiteindelijk wordt Siegfried gewurgd. De toneelspeler Taner Sahintürk maakte voor het eerst tijdens zijn middelbare school kennis met Siegfried en zijn verhalenpaleis. Het Nibelungen-epos was hem toen veel te gecompliceerd, vertelt hij aan een Berlijnse krant. Hij was de hele boel snel vergeten. Sebastian Nübling heeft de ‘fantasy’ goeddeels uit het verhaal gesloopt en vervangen door een groteske vertelling over de Duitse automobielindustrie, vol agressie, vernielzucht en machismo. Ik persoonlijk vind de productie wat aan de schreeuwerige kant. Nübling mag van mij vinden dat de verklanking door Hebbel ‘dicht bij Shakespeare staat, met zijn rijkdom aan taal en thema’s van alle tijden’, het helpt niet dat wij de verhalen hier niet goed kennen, wat de toegankelijkheid van zijn bewerking, met al die ingenieuze regie-invallen en ranschmeisserische agressiviteit er niet echt groter op maakt. Enfin, we gaan het meemaken.


Der Untergang der Nibelungen – The Beauty of Revenge, door het Maxim Gorki Theater Berlijn, Stadsschouwburg Amsterdam, 10 en 11 juni


Beeld: Ute Langkafel