Malle koe en verlichte boeddha

Vorig jaar stond midden in een Vondelparkvijver plots een zwart-witte koe. Om haar heen gouden ballen waaruit water spoot. Van moderne fratsen moet ik weinig hebben en van die kei aan het begin van de Overtoom krijg ik spontaan koliek, maar na eerste ontregeling moest ik grijnzen en wist ik dat het goed was. Trouwens, ik zag er verdomd veel mensen met plezier naar kijken. En ook hoe vier Japanse meisjes op een haar na een nat jurkje opliepen omdat ze dol van pret over de groene kroosvlakte wilden lopen om het beest es flink te aaien of wat Japanners ook met rundvee plegen te doen. Hulde aan de subcommissie Recreatie en Welzijn, vallend onder stadsdeelwethouder Cultuur en Ruimtelijke Ordening Parkzaken Stadsdeel Zuid, die die malle koe natuurlijk niet heeft bedacht maar wel goedgekeurd en gesubsidieerd. Toen ze in de herfst even plotseling was verdwenen, miste ik haar. Koe keerde niet weer en ik hoop nu maar dat ze in Rijswijk of Nieuwegein glimlach en klein geluk brengt.

Maar vorige week stond mijn bonkend joggershart bijkans stil toen ik bij een andere vijver door een visioen werd overvallen. Door de nevel van de fontein ontwaarde ik een zittende witte figuur op het water die, dichter benaderd, een Boeddha in lotushouding bleek te zijn, die zich in rechte lijn nog dertien maal herhaalde, veertien rechterhanden geheven met twee vingers in V-teken. Was, ben ik verlicht? Hoewel mijn stopwatch aangaf dat ik bezig was het wereldrecord vijf kilometer te verpletteren, bleef ik in hijgende heilige verwondering staan. En zag zwartgekopte meeuwen op de onthechte hoofden neerdalen en weer opstijgen, later gevolgd door een duif. Net had ik besloten mijn baan op te zeggen en vrouw en haard te verlaten om Waarheid te verkondigen toen ik toeristen het mirakel zag fotograferen. En ik besefte dat mijn deeloverheid weer had toegeslagen. En hoewel veertien Boeddha’s meer pretentie hebben dan een koe besloot ik weer dat het leuk was.
Ach, ons park wordt steeds leuker door verrassende ontmoetingen. Zoals die met het ezeltje op de middelste wei. Lang waren ezel en lama onafscheidelijk tot op een kwade dag ezel verdween en op een nog kwadere werd vervangen door een damhert. Qua diertype al displaced bleek hij ook nog es een opdringerige metgezel. Zijn kont kon lama niet keren of hert liep hem voor, onder, tussen de voeten. Het mocht dan een tragische onbeantwoorde liefde betreffen van een wit mannetje voor een reusachtige zwarte man die niets van de kleine moest hebben, je werd plaatsvervangend zenuwpatient van des minnaars volharding. Is daarover ergens vergaderd? In elk geval was hij plotseling verdwenen en had lama zijn rust. Maar nu is er zowaar weer een ezeltje van prachtige vacht en kleur. En op de verste wei staan twee prachtige, dit keer levende koeien, rood- en zwartbont, van een ras dat je nergens meer ziet. Aan de andere kant naast elkaar een prilgroene wilg, een rode berk en een witbloeiende kastanje. In ons park word je soms even gelukkig, door samenspel van natuur en cultuur.