Malle kolder

‘Zo, en dan mag ik nu eindelijk naar het Boekenbal.’ Zin één uit het debuut van Rutger Castricum, die jongen van Pownews, die een boekje over Ibiza maakte. ‘Maar goed dat die ouwe Mulisch het allemaal niet meer hoeft mee te maken’, luidt zin twee.

Ik vind dat best een grappig begin. Mijn Ibiza is vanaf de titel tot de achterflap een parodie, een satire, een uitvergroting van wat in de literatuurwereld inderdaad gaande is. Snel een boekje in elkaar schrijven om er ook bij te horen, een sociale status te verwerven. Zin drie: ‘Hoe dan ook, ik ben vanaf nu auteur en wens voortaan dus in die hoedanigheid te worden aangesproken.’
Er is een nieuw type 'auteur’ in opkomst voor wie het boek een noodzakelijk opstapje is tot waar het werkelijk om te doen is. Hoofd- en bijzaak zijn van plaats gewisseld, en het promotiestuntje dat voorheen alleen diende om het werk een commercieel zetje te geven is nu het eigenlijke werk geworden.
Heel sterk manifesteert zich dat bijvoorbeeld bij A.H.J. Dautzenberg, die weliswaar boeken schijnt te schrijven, maar die functioneren alleen als het entreekaartje tot waar hij werkelijk wil zijn: de arena van meningen, controverses, debatjes. Dus doneert hij een nier, schrijft daarover, en praat erover op radio en tv. Dus wordt hij lid van een pedovereniging, schrijft daarover, en praat erover op radio en tv. Ontvangt hierdoor vanzelfsprekend een stroom doodsbedreigingen en bundelt die als gedichten. En nog maar weer eens aanschuiven aan tv- of radiotafels voor de geijkte debatjes.
Voor schrijvers die het liefst boeken schrijven is al dat bijkomstige een noodzakelijk kwaad. Je moet nu eenmaal 'iets aan de promotie’ doen, 'je gezicht laten zien’. In de overvoerde boekenmarkt ontkom je er niet aan dat je je moet verlagen tot een ordinair stuntje. Zo verdenk ik Peter Buwalda er nog altijd van dat hij zelf de hand had in die mysterieuze vernielingen van zijn boek in de boekhandels toen het net was verschenen. Leuk bedacht, het genereerde redelijk wat free publicity. Na tien jaar werken aan een boek mag dat ook best.
Met een geit door het land trekken, zeggen dat je Suzanne Vermeer bent, een rellerig persbericht versturen met het verhaal dat Arie Storm jouw geplande optreden in een radioprogramma saboteert, potentiële personagenamen werven via eBay… Iedereen probeert wanhopig een paar minuutjes zendtijd bij elkaar te schrapen.
Welbeschouwd is het te gênant voor woorden, maar er is geen andere keuze. Zelfs als je voor een select gezelschap beweert te willen schrijven, zul je dat toch via de massa moeten bereiken. Telkens als ik zo'n literair stuntje zie krommen mijn tenen zich, en zak ik plaatsvervangend door de grond. Het is gênant, maar als het boek goed is, vergeef je de schrijver al die malle kolder.
Heel anders is dat bij typen voor wie malle kolder nu juist core business is. Het is lastig te bevroeden waarom, maar er zijn mensen die het oprecht leuk vinden om, ik noem maar wat, in paneldiscussies te participeren.
Zelf ben ik er niet dol op. Daar zit je dan met vier, vijf vakgenoten, die allemaal een zegje over een veel te algemene stelling mogen doen. Altijd is er te weinig tijd, altijd is er een hapering met de techniek, en altijd is er, ondanks het besef van het volstrekt nutteloze van zo'n sessie, de onweerstaanbare drang om toch te reageren op de anderen. En omdat het onmogelijk is afdoende ad rem te zijn in het kleine bestek en de moderator elke potentiële discussie in de kiem smoort ('de tijd… de tijd…’), blijf je achter in een wrevelige stemming, vol opgekropte adrenaline, die je vervolgens aan de bar mag gaan blussen.
De malle-kolder-schrijver leeft daar echter helemaal van op. Voor hem is het boek maar één van de vele kanalen voor een onstuitbare innerlijke drang tot het produceren van reclame-uitingen, oneliners, wisecracks, provocaties, opinies. Quoteklaar geknipt en kiekbaar gekapt.
Het mooie aan zo'n schrijverschap is dat je, na het eerste dunne debuutje, geen boeken meer hoeft te schrijven. Het volstaat om je eigen promo-activiteiten te bundelen. Zelfs de reacties van anderen op jouw media-stuntjes kun je als dichtbundel uitbrengen. Op die manier verleng je als het ware steeds je abonnement. Je verlengt je schrijfbewijs zonder nog examens te hoeven afleggen.
Als het de bedoeling van Rutger Castricum was om dat aan de kaak te stellen, dan is hij daarin geslaagd. De eerste drie zinnen zijn best geinig. Door zo'n harlekijn op het Boekenbal toe te laten bevestigt de organisatie dat het malle-kolder-schrijverschap inderdaad rendeert. Intussen zijn er tientallen schrijvers van serieuze boeken die niet eens een kaartje krijgen.
(O, ik wel hoor, maar ik twijfel nog ernstig of ik wel ga.)