Mamette rookt

ACHTER HET regenkoele raam groette een nauwe straat van Amsterdam hem met haar kroost van wankele gebouwen, treurige neonlichten en schimmige gedrochten, die geen beschutting zochten tegen de regen. Zoals altijd met zulk weer leken de huizen kleiner, kwijlend in de baarden van hun klimop, de verweerde bakstenen waren donkerder. In cafetaria’s en cafés zaten verveelde bezoekers, in warm rood licht, oker en bruin interieur, ijzig licht. Het was het onvolkomen gebit van een grauwe grijns die hem wel vertrouwd was.

Achter hem lag Mamette in bed in de schemer van haar kamer, rokend, haar ogen twee inktvegen, een zwarte delta versmolten met de schaduwen en vale tinten van haar blankheid. Zijn gedaante onderbrak het grijspoederig licht van buiten.
Mamette blies zuchtend rook uit: ‘Ik weet het: altijd die vertrouwde beelden waarop de stad je bij elke terugkeer onthaalt, als om te voldoen aan een vermeend clichébeeld. Je moet dan, niet voor het eerst, denken aan die zeldzame fotosessies in het ouderlijk huis, ver in topografie en geheugen, waarbij je moeder het beste servies - waaruit jullie nooit aten - en kleren, bestemd voor de jaarlijkse Beiram, uit de kast haalde om voor het diafragma de armoede te bedekken.’
Zij drukte haar sigaret uit. Nare gewoonte dat roken, had hij altijd gevonden. Kon hij zich een vrouw herinneren die niet rookte? De sigaret was het leidmotief in al zijn ontmoetingen in verschillende steden, in verschillende landen, in bijna identieke cafés en op terrassen, in verschillende troosteloze hotelkamers. Al zijn kortstondige concubines kon zijn geheugen aan de hand van het sigarettenmerk onderscheiden en niet zozeer aan bijzondere uiterlijkheden. Een kleurige reeks op verschillende nachtkastjes naast het bed van zijn geheugen.
Mamette legde haar handen onder haar hoofd en naar het plafond starend sprak ze: 'Die vrouw in Zwitserland - je denkt dat het Zwitserland was: Davidoff lights - had tegen je gezegd dat reizen nog je dood zou worden.’ Fluisterend: 'Zij doofde haar sigaret, gleed van het bed af en geishastapte naakt naar de douche, slakkesporen achterlatend op het bed. Erosdamp wasemde uit jullie bed. Dit zijn mijn details.’
'Kosmopolitisme kun jezelf niet aanleren, je kunt het niet afdwingen. Die globetrotterij van jou is aandoenlijk, om niet te zeggen pathetisch - als je dat woord kent. Er is geen ontkomen aan je wortels, mijn lieve schat: je koppige voor- en afkeuren, het aantal suikerklontjes in je koffie zijn bepalend.
Ik wed dat je nu al niet meer in staat bent de ene stad van de andere te onderscheiden; de ene reis van de andere; de ene banale omhelzing van de andere. Het is allemaal te reduceren tot een aaneenschakeling van niet-rokerscoupés, toeristische impressies, afhankelijk van weersomstandigheden, tot de postcoïtale sigaret - niet die van jou natuurlijk, maar van haar, van de inwisselbare ander - en wat er voor die sigaret komt is, om eerlijk te zijn, al evenmin verheffend. O licht van mijn ogen, kiem van mijn hart.
En het is zo makkelijk als je mij steeds als veilige thuishaven hebt, mijn dierbare nimmer gehavende Sinbad. Elke keer een gewillig oor en lijf, een vertrouwde geur van muskus en milde vissigheid, die als een geest uit mijn diepste diepten oprijst om de hartesnaren van herkenning te beroeren, mijn lief, mijn schat. Gewillig wel, maar niet geheel grillenvrij, want je kent mijn nukken: ik heb altijd weinig begrip getoond voor jouw onwil om je geheel ontkleed aan je bedtaak te wijden. O ik ken jou bezwaren tegen het frivool vertoon van kwetsbare naaktheid, maar die zijn het vijgeblad van oeroude schaamte niet ontgroeid. Hoewel je moet toegeven dat ik, in mijn toegeeflijke luimen zoals nu, je wel je singlet nog laat aanhouden, een kleine overwinning voor jou, niet, op wat jij zo graag ziet als mijn seksuele monopolisering. Jij stille, prevelende man.’
Ze stak een andere sigaret op, leunend op haar rechterelleboog en wuifde met haar linkerhand de rook voor haar gezicht weg.
Buiten werden de straatlantaarns aangestoken en hun oranje halo’s drapeerden een zilveren pony van regen. De gestalten van passanten en talmers donkerden en versmolten in schaduwen of verdwenen in de vlekken op de muren, werden weer bakstenen. De hakken van haastige voetstappen lieten rijzend een schuimende afdruk na. Lichtweerspiegelingen kwamen rimpelend bovendrijven in de vlakkende plassen, eventjes, en werden daarna weer door logge schreden ondergedompeld. Uit hoeken duisternis kwamen gedaanten kleverig los.
Hij keerde zich af van het uitzicht, ontweek haar blik en rokerige glimlach en ging aan haar voeten op het bed zitten. De stoffig paarsige planten van haar beweeglijke voeten (ze liep binnenshuis altijd blootsvoets) plooiden en ontplooiden; haar hielen waren roziger van kleur en haar tenen lichtmalve. De schaduwen van haar okselholten en die onder haar borsten, onderbuik en knieën markeerden de belangrijkste herkenningsplaatsen van haar lichaam voor het karig licht.
'Wat is het, mijn lief? Is het uitzicht te armoedig voor jou, die altijd zo'n afkeer heeft gehad van armoedig vertoon? Wat is er mis met deze stad van schamele schoonheid, een lappenpop, slordig gelapt, de naden getornd, die bestaat uit al wat jouw zwarte koffer aan kleurige stickers zou moeten bedekken - als je een koffer had, je hebt alleen die versleten schoudertas. De stad en ik - beide zijn wij de Trevifontein voor de resten van je nutteloze kleingeld en de minder efemere munten van verankerde levens waarmee ons symbiotisch bestaan zich voedt, dansend water, patinavlekken.
Geen jaloezie van mijn kant, mijn hartekorrel, mijn geestelijke voeding is even promiscue als jouw lichamelijke, maar bestendiger. Bij jou is er het ongemak van onvertrouwdheid - de asynchroniciteit van verschillende bewegingsmanieren, de omvang, de geprefereerde duur van het voorspel - het gemak van de vluchtigheid; een lik, een druk en er is een nieuwe zegel aan je geheugen toegevoegd. Zie, mijn Mamette, ik ben terug, wil je mijn laatste verzameling zien? En ik - ik ben geïnteresseerd, maar niet de koper.’
Speels blies zij rook in zijn gezicht. Het vochtige licht maakte haar bleke blauwgeaderde borsten met rimpelige areolen gelig bleker. Haar ogen glimden lachend.
'Was die dochter Albions - Craven “A” - de enige wier huis je onverrichter zake, ontbijtloos, verliet? Te veel achterovergeslagen.’
Zij verstoorde de samenzwering van het vergarend donker en zag in het licht van het nachtlampje dat hij in slaap was gevallen.
TOEN HIJ WAKKER werd had moeder het beste servies uitgestald om een middenstandsontbijt te simuleren voor de camera. Als kleinste mocht hij op haar schoot zitten en een leeg kopje omhoog houden alsof hij zijn koffie (met veel melk en suiker) aan het drinken was. De fotograaf, ergens opgepikt uit een nabijgelegen stad, was lang bezig met het instellen van de lens, zodat hij met de ochtendlijke weerbarstigheid van een vierjarig kind ongedurig werd en van haar schoot af wilde glijden - terug naar de driedimensionale wereld met het ochtendlicht, het hanegekraai, naar buiten, waar kinderen hun wekelijkse ochtendbad verspeelden. Zijn moeder verhinderde dit met een klap op zijn kruin, zodat zijn haar, speciaal gekamd voor dit schijnontbijt, verward raakte en opnieuw gekamd moest worden. De rest van de geschaarde familie was ouder en geduldiger en was al bevroren in een glimlach die, om het de fotograaf wat gemakkelijker te maken, al zwart-wit was in het licht van een kleurige morgen. De foto was voor verre vader bestemd en moeder had een hoek uitgekozen van de onoverdekte binnenplaats die de minste barsten vertoonde op muren en grond.
Het is je altijd opgevallen hoezeer die barsten op de contouren van een wereldkaart leken. Je hebt je nooit werkelijk kunnen onttrekken - in werkelijkheid heb je nooit een poging gedaan - je bent gedoemd tot die imitatie van moederlijke ochtendliefdeomarming, die frigide schoot van onontwikkelde foto’s. Geen wonder dat je herinneringen, zelfs je dromen - zelfs je prevelingen, mag ik er wel aan toevoegen - zwart-wit zijn, op enkele zinloze details na, en statisch, een onvervulde belofte van beweging, motorische onbeholpenheid, het komt wel, geef me de tijd, ik krijg het mechaniek wel draaiende.
Jullie hebben die foto’s nooit onder ogen gekregen. Als moeder terugkwam van haar wekelijkse bezoek aan de stad, dromden jullie om haar heen, maar zij schreeuwde eerst om hulp bij het uitpakken van de boodschappen. Zij rook bezweet, niet zozeer van vermoeidheid als wel van grimmige onwil, geen compensatie voor haar zware taken dan plichtgekwetenheid; en de foto’s had ze al verstuurd met een brief die ze door een klerk in de bazaar met de schrijfmachine had laten opstellen.
Niet bekend
Een afkeer van alles wat jou aan dat huis in dat dorp in dat verre land Marokko van olijven en sinaasappels doet denken, dat de schaduw van zijn minaretten en hemel over je heen werpt.
TOEN HIJ WAKKER werd, zat Mamette tegen de muur geleund in bed te roken. Zij keek vanuit haar ooghoeken op hem neer en woelde met haar gelige vingers door zijn haardos. Hij stond langzaam op, doende alsof hij richting toilet liep, maar kleedde zich aan en zij sloot tevreden haar ogen. Zijn open reistas, waaruit kleren staken, stond onder het venster. Met een ophaal van beide schouders trok hij zijn jas aan, pakte zijn tas op. Zij draaide zich op haar zij om de sigaret uit te drukken en gaf een profiel van haar gerezen heup aan de tastende glansvingers van de ochtend.
Zij schudde glimlachend en rokerig haar hoofd toen hij naar de deur liep.
'Wil je niet eerst douchen?’
De deur was op slot. De sleutels bengelden in haar frivole hand en hij grimaste in pijnlijke overgave.
STEUNEND MET HAAR ellebogen op de bar leunde Mamette voorover en duwde haar schouders naar voren. Een gedeelte van haar rug - een inkeping die smal naar boven toeliep - werd zichtbaar toen door haar rondende billen een gleuf werd gevormd tussen de band van haar broek en lendenen. Ze bekeek hem met tedere achteloosheid en veranderde haar houding: ze legde haar wang op haar rechterpalm en veinsde diepe gedachten. Zij dronk wijn en hij koffie die de kleur had van haar tepels. De ochtend buiten was janhagelig, nog katerig van een vochtige nacht.
Ze dronk haar wijn op een manier die hij slechts manhaftig kon noemen. Gnuivend om zijn observatie zei hij dit tegen haar.
'Neem je’, vroeg zij retorisch, spottend, 'voor die term jezelf als maatstaf?’ Ze snoof en nam nog een slok.
Hij had onmiddellijk spijt van zijn opmerking.
'Wees niet bang’, zei ze, 'je krijgt straks een herkansing.’
Zij nam haar glas tussen twee handen en drukte met haar bovenarmen haar borsten samen, haar schouders opgeheven.
'Als na het middageten het voorhoofd van je moeder bepaalde rimpels begon te vertonen en de losse haartjes onder haar hoofddoek streuvelden, haar ogen zich vernauwden en zij met een lucifer als tandenstoker tussen haar tanden begon te wroeten - haar gebit miste een voortand en in die leegte inspecteerde haar tong als een oplettende wachter de mossige kantelen - dan wist je dat het tijd was voor de middagslaap, die haar heilig was en dan trok je je terug in de koele kamer, ’s ochtends geschrobd door je zussen en gereed voor een andere schrobbeurt na de siësta. Als kind kon je nooit gedwongen slaap vatten en je wachtte totdat er stilte in het huis regeerde en dan sloop je op je tenen de kamer uit naar de open binnenplaats waar de vale grond je voeten verschroeide.
Met enige verbeelding kon je de omtrekken van een wereldkaart - een geplette globe - herkennen in de barsten. Hurkend in het harde siëstalicht legde je je linkervoet op wat Afrika zou moeten zijn, de rechter op Azië en beide handen op Europa. Of probeerde andere varianten. Als je te lang keek, dan zag je andere vormen - de takken van een dorre boom, bijvoorbeeld, of de gezwollen aders op de rug van je moeders schrale hand - maar je hoefde alleen je blik en hurkpositie te verschuiven en dan namen de barsten hun oorspronkelijke vorm weer aan; de continenten schoven weer uit elkaar, de grenzen werden weer duidelijk, de landen namen hun plaats in. Zo herkent een leraar zijn leerlingen niet aan hun gezichten, maar aan hun zitplaats ten opzichte van elkaar.
Buiten had de siëstazon zijn hof vergaard voor de verveelde uren: eentonig gesjirp, de olijfbomen die een broek optrokken van gekrompen schaduw, sprinkhanen, het gebrom van een onbestemde machine, ver weg, vliegen en alles dul, dood, dor. En je moeder sliep, je zusters sliepen in de kamer waar ook jij slaapgeketend had moeten liggen, koele tegels onder je hielen - het bed, een schapevacht op de grond, was te klein - je had geen last van hun schrobbend gesnauw - dat zou na het middagdutje komen. Je ademde de zandwarme grond van de binnenplaats in, de droge huid van een namaakkaart. Je gaf elk land een aparte kleur - niet een vlaggenkleur, maar laten we zeggen de kleur van een sigarettenpakje? Rood-wit, wit-rood, blauw, goud-wit, geel, oker.’
Mamette gaapte.
'Maar plotseling verbrak je moeders stem je hurkend gepeins, vertekende de contouren van je verbeelding, verstoorde de tast van ziende vingers op blinde ondergrond: naar bed, nu onmiddellijk! Naar je kamer! Een lichte slaapster. Zij verbrak de verstilling waarin zij jou graag zag voor haar lugubere foto’s en jij rende naar de kamer toe, struikelde, stond op, opende de deur en in het halfduister struikelde je weer, krabbelde overeind en viel op bed neer waar Mamette ligt te roken, haar ogen twee inktvegen, haar zwarte delta versmoltenà en al de rest.’
Buiten begon het weer te regenen, mensen schuifelden langs het raam, neonlichten knipperden met vochtige wimpers door het stromend water, kleurige paraplu’s bogen onder de ranseling van de regen; zilveren schrikgelach van jonge vrouwen die mooier werden in het zilveren weer, hun wangen bloeiden blozend op, de plassen speelden pingpong en verstoorden de weerspiegeling van het rimpelend licht. Het café bood ook uitzicht op het raam van Mamettes huis, dat oneffen bakstenen weerspiegelde.