Man & kalasjnikov

PRISTINA - Srdjan heeft het moeilijk. Hoe kan hij in godsnaam uitleggen dat zelfs hij geen pacifist is? Als iemand aan het beeld van een geweldhater voldoet, is hij het wel, dat weet hij best. Hij noemt zich zelfs pacifist. Maar hij wil eerlijk zijn. Ook hij zou moorden om de eer van zijn familie. Hij kan er écht niets aan doen, hij is nu eenmaal zo opgevoed.

Srdjan is achtentwintig jaar oud. Hij heeft een klein baardje, draagt tweedjasjes met kleurige dassen en neplederen puntlaarsjes met goudglimmende gesp. Zijn haar heeft hij slick naar achteren gesmeerd met een overvloed aan gel. Srdjan is into jazz en wil liever geen geweld. Hij woont in Pristina, de hoofdstad van de Servische provincie Kosovo. Daar heeft hij maar weinig geestverwanten.
Srdjans vader sloeg hem medogenloos. Ook dat was een kwestie van opvoeden. Zijn moeder sloeg hem nooit, want slaan is mannenwerk in de ogen van Serviërs. Soms moest hij urenlang wachten totdat zijn vader van zijn werk in de kolenmijn terugkwam voordat hij gestraft kon worden. Dan sloeg zijn vader nog harder dan normaal, want als iets hem woest maakte, was het wel dat hij zijn zoon moest straffen voordat hij zijn avondmaal kon nuttigen. ‘Natuurlijk is mijn opvoeding niet typisch Servisch’, zegt Srdjan. 'Maar er wordt wel veel geslagen door mijn volk.’
In de jazz vond Srdjan alles wat hij in zijn ouders miste: warmte, kracht en liefde. Zijn vader bleek een slappeling. Toen Srdjan hem eens terugsloeg, verzette hij zich niet. Gelaten liet zijn vader Srdjans blinde woede op zich neerdalen. Toen Srdjan was uitgemept, stak zijn vader een sigaret op en bood ook zijn zoon er eentje aan. 'Ik zal je hiervoor niet extra straffen, Srdjan’, sprak hij. 'Als je je zo moedig verzet tegen je vader, wordt het tijd dat je op je eigen benen gaat staan.’
Een week later trok Srdjan in bij een vriend in een van Pristina’s studentenflats. Diep in zijn hart vindt hij zijn vader nog steeds slap: 'Met geweld bereik je niets. Maar een vader moet zijn zoon kracht tonen. Het idee dat geweld kracht is, sla je er bij ons in nog geen honderd jaar uit. Misschien voeren we daarom wel oorlogen.’
We zitten op het terras van café Taboo. Srdjan steekt een sigaret op en murmelt zijn lievelingszinnetje uit een lied van Tom Waits: 'I smoke my friends to the filter.’ Een auto zonder nummerplaten stopt. Er stappen drie jongens uit van een jaar of vijfentwintig met kortgeschoren koppen. Ze dragen legergroene uniformen zonder onderscheidingstekens. Ze zijn moe. Ze slepen hun kalasjnikovs achter zich aan. De jongens voegen zich bij een aantal vrienden op ons terras. Een van hen heeft een stuk camouflagedoek Rambo-achtig om zijn hoofd gebonden. De andere twee dragen zwarte mutsen. Een van hen rolt voor de grap zijn muts af, waardoor die zijn gezicht bedekt. Om de ogen en de mond zijn drie gaten in geknipt.
'Tja’, zegt Srdjan. 'Nu kun je maar beter even geen Engels meer spreken, want dan worden ze lastig.’ De drie jongens behoren tot een nationalistische paramilitaire eenheid die officieel niet bestaat. Volgens Srdjan zijn ze vrijwilligers die oorlogvoeren omdat ze dat leuk vinden. Leuk? 'Natuurlijk’, zegt Srdjan. 'Er zijn hier genoeg mannetjesputters die graag hun magazijnen legen op de Albanezen. Hoe kun je beter je manlijkheid bewijzen dan door te vechten voor je volk? Da’s niet alleen Servisch, hoor. De Kroaten en Bosniërs hadden ook veel vrijwilligersmilities. En wat dacht je van het UÇK? Alle Albanezen die met de guerrilla’s meevechten doen dat vrijwillig, voor hun volk. Vechten is een eer. Dat is iets van de Balkan. Sneuvelen is niet zo erg, zolang je maar dapper sterft.’
In Kosovo worden paramilitairen ingezet in gebieden waar het wemelt van de guerrilla’s. Volgens Albanese ooggetuigen komen ze de dorpen in na een artilleriebombardement om daar iedereen 'uit te schakelen’ die niet op tijd heeft kunnen vluchten. Hun gage kunnen ze aanvullen door onbelemmerd te plunderen. Op Internet zijn foto’s te vinden van hun slachtoffers. Mannen, vrouwen en kinderen in Drenica en Lapusnic met doorgesneden kelen en opengespleten schedels. Nadat de killers hun werk hebben verricht, verschijnen politie-eenheden om de lijken op te ruimen en Albanese huizen in brand te steken.
Servische paramilitaire milities doken voor het eerst op in Bosnië. De Tijger-militie van de internationaal gezochte crimineel Arkan, ooit ontsnapt uit de Bijlmerbajes, en de militie van Seselj hielden daar huis onder Moslims en Kroaten. Ze werkten nauw samen met het Joegoslavische en het Bosnisch-Servische leger. Etnische zuivering is voor hen etnische moord. Echt mannenwerk. Zowel Arkan als Seselj zijn na hun bliksemcarrière als militieleiders de politiek ingegaan. Servische en Montenegrijnse kiezers beloonden hen voor hun moorddadige verrichtingen. Arkan verscheen op verkiezingsaffiches in traditionele Montenegrijnse klederdracht met twee moderne pistolen achter zijn broekriem gestoken. Seseljs Radicale Partij vormt tegenwoordig een regeringscoalitie met de socialisten van Milosevic. Doden is mannenwerk en mannenwerk loont in Joegoslavië.
Een van de paramilitairen op het terras is een oud-klasgenoot van Srdjan. Hij acht de jazz-fanaat in zijn tweed-jasje geen blik waardig. Srdjan is niet op zijn gemak. 'Er is geen enkele reden voor hen om hier met hun wapens en die Rambo-kleding te komen. Ze willen alleen maar stoer doen.’ Hij zegt het fluisterend. De jongen met de bivakmuts toont inmiddels weer zijn gezicht. Grijnzend ontbloot hij zijn linker arm en steekt hem in de lucht. Hij laat zijn drinkebroeders een schotwond zien. Aan zijn gebaren af te lezen ging de kogel dwars door zijn bovenarm en kwam hij er ter hoogte van de oksel weer uit. Een jongen met gevechtservaring. Srdjan klapt zachtjes in zijn handen. 'Bravo’, fluistert hij.
Na een paar biertjes vertrekken de jongens en praat Srdjan weer op normaal geluidsniveau. Hij was niet door ze geïmponeerd, zegt hij nu stoer. Maar ze irriteerden hem omdat ze met hun verschijning de oorlog binnen de hoofdstad brachten. Srdjan wil graag blijven geloven dat Pristina veilig is.
'Ik geloof niet dat ze killers zijn’, zegt hij. 'Die jongens willen gewoon oorlogje spelen en melden zich als vrijwilliger bij het leger. Ze happen wat kogels en dan zwaaien ze weer af. Ze hoeven helemaal niet te moorden om ontzag in te boezemen. Een beetje met hun geweren zwaaien is voldoende. Zag je hoe hun vriendjes tegen ze opkeken? We zijn een volk van strijders. Partizanen, Cetniks. Dat zit in onze cultuur gebakken. Ook al ben ik dan geen echte pacifist, ik geloof niet dat ik hier thuishoor.’
HET IS EEN MOOIE, rustige zomernacht. Het publiek op een pleintje vol Servische cafés geniet van de tijdelijke afwezigheid van de oorlog. Een jongeman loopt van de terrasjes weg. Hij gooit het hoofd in de nek en tuurt naar de sterren. Met zijn trendy gymschoenen, baggy broek en vest met capuchon lijkt hij zo weggelopen uit een videoclip van de Chemical Brothers.
Plotseling haalt hij een pistool te voorschijn. Hij omklemt het met beide handen en richt het op de sterren. Drie schoten klinken, lege patroonhulzen springen weg. Dan bergt hij het pistool weer op en kijkt lachend achterom, naar het verstoorde cafépubliek. Rustig loopt hij weg, een verstarde grijns op zijn gelaat. Hij lijkt wel te zweven. Knetterstoned.
Als de schoten klinken, wordt het even stil op het terras van café Sound+Vision. Al na het tweede schot, als duidelijk is dat slechts de sterren doelwit zijn, komen de gesprekken weer op gang. Een man in een zwarte leren jas, kortgeschoren kop, slaat het schutterstafereel goedkeurend gade. 'Het zijn gevaarlijke tijden met al die Albanezen hier. Serviërs moeten hun schietkunst oefenen.’ Eigenlijk had hij de jongen moeten arresteren, want de leren jas werkt voor de Servische politie. Maar waarom zou hij? Servië is een pistolennatie. Voor dikke auto’s is in het door sancties geteisterde land geen geld, dus hanteren mannen hier het pistool als verlengstuk van hun pik.
LAMIRA WAS getuige van het sterrenschieten. Ze had maar één schot nodig om te horen wat voor wapen het was. Haar vader gaf haar schietlessen om zichzelf te kunnen verdedigen. Dat vond ze volkomen onzinnig, maar hij stond erop. 'Hij wilde me geen pistool geven, maar ik heb de sleutel van de kast waarin hij het zijne bewaart. Zijn pistool is heilig voor hem. Het hangt in een holster, aan een spijker. Het is doorgeladen. Als ik alleen thuis ben en er gebeurt iets, kan ik er zo mee schieten.’
Volgens Lamira (21) zijn het niet alleen de Serviërs die dol zijn op geweld. Het is een fenomeen van de Balkan-man, meent ze. Ze is half Moslim, half Servisch. Een van haar oma’s was Roma, opgegroeid in Roemenië. Haar familie leefde een paar jaar in Bosnië, maar vertrok spoorslags naar Servië toen de oorlog er losbarstte. Lamira had een Servisch en een Albanees vriendje. Met de Albanese jongen had ze drie jaar een relatie. Lamira: 'De Balkan-mannen zijn overal hetzelfde. Ze zijn niet eerlijk. Ze willen altijd voldoen aan een ideaalbeeld, aan iets wat ze zelf niet zijn. Ik zag dat bij Moslims net zo goed als bij Albanezen en Serviërs. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan niet met ze overweg. Ik begrijp niet hoe al die meisjes het bij ze uithouden. Als ze zeggen dat ze van je houden, komt dat er bijna snauwend uit. Zouden ze gevoel tonen, dan zijn ze meteen mietjes. Dat gedoe met wapens heeft niets te maken met de oorlog hier. In Belgrado is geen oorlog en daar loopt ook bijna iedereen gewapend rond. Het heeft te maken met die rare onzekerheid van die jongens. Hebben ze een wapen, dan is bewezen dat ze echte mannen zijn en geen pussies.’
Lamira zou best wat liefde willen delen met Dani. Maar hij is een 'gewone’ vriend en bovendien heeft hij al een vriendin. Lamira: 'Zo'n geblondeerde super-Servische doos die tegen hem opkijkt.’ Tegenover zijn vriendin gedraagt Dani zich volgens Lamira als een typische Balkan-man. Maar in zijn hart is hij anders. Lamira: 'Als wij praten, is hij altijd heel open en gevoelig. Dat is wat ik in een man zoek.’ Ooit was ze er getuige van dat hij in een bar ruzie kreeg. Dani kreeg een pistool op zich gericht en reageerde volgens Lamira fantastisch. 'Hij deed zijn handen op zijn rug en liep naar die jongen toe totdat het pistool zijn voorhoofd raakte. “Schiet maar, lafaard”, zei hij. Met zo'n mooie, rustige lage stem. Schitterend! Die jongen is met pistool en al weggerend omdat hij de trekker niet durfde over te halen.’
Als Dani met het verhaal wordt geconfronteerd, moet hij lachen. 'Ik had achter in mijn broekband een pistool zitten. Ik had het al in mijn handen toen ik op die jongen toeliep. Ik ben razendsnel met dat ding. Als ik één seconde had gedacht dat hij de trekker zou overhalen, had ik mijn pistool op zijn hoofd gezet. Maar niet vertellen aan Lamira, dan raakt ze vast teleurgesteld.’
ZATERDAGNACHT vertrekt een kleine dronken en stonede stoet vanuit de Servische club Avalon lopend naar een leeg universiteitsgebouw net buiten het centrum van de stad. Daar staat een Volkswagen Golf met enorme speakers housebeats te blazen. Er zijn flessen prikkerige rode wijn en een zak wiet van eigen teelt.
'Biggie’, al aardig op weg dronken te worden, doet een poging tot buikdans. Hij heeft zijn shirt uitgetrokken en als een sluier om zijn hoofd gewikkeld. Biggies echte naam is Massud, de bijnaam heeft hij te danken aan zijn korte, zeer brede postuur. Biggie (24) is Moslim. Zijn stem is hij vrijwel kwijt, want hij feest al drie nachten lang. 'Fuck politiek, fuck nationaliteit. Deze oorlog draait om vrouwen. Dood zoveel mogelijk Albanese mannen en pik hun bloedmooie dochters in. Dáár gaat het om’, zegt hij. Biggie trekt zijn riem uit zijn broek en brult: 'Varkens zijn het, die Albanezen.’ Hij begint een wilde dans met Gox, een jonge Serviër die schaapachtig zijn slechte tanden blootlacht. Gox wordt met Biggies riem alle kanten op geslagen. Hij vindt het schitterend. Later toont hij trots de blauwe striemen op zijn rug en zijn bovenbenen.
Gox (18) is skinhead. Op verzoek geeft hij de Hitler-groet en toont hij de doodshoofdtattoo op zijn bovenarm. Zijn onderarm zit vol diepe, rode putten. Tijdens het inwijdingsritueel van de Pristina Skins werden peuken op zijn arm uitgedrukt. 'Vroeger was hij een etter, maar nu is hij okee’, schreeuwt Biggie over de knallende beats heen. 'We hebben hem laten neuken met een zigeunerin. Dat deed hem goed.’
Naar goed Servisch gebruik komen op het hoogtepunt van de gekte de pistolen te voorschijn. Hoe beneveld ook, een stuk koud staal in je nek voel je altijd. Vooral de gasten moeten het ontgelden. Als ik me omdraai, kijk ik recht in de loop van een zilverglimmend stuk dodelijk metaal, vastgehouden door Sasja, een Servische spierbundel met commandokapsel. Hij draagt een verschoten camouflagejack op zijn blote bast. Na nog wat anderen de stuipen op het lijf te hebben gejaagd, geeft Sasja trots zijn pistool af ter bewondering, met de kolf naar voren. Ontlad moeten ik zelf doen. Het magazijn zit vol, en ook in de kamer zit een kogel. Sasja had alleen de trekker vergrendeld. Met een ongeladen pistool is er geen lol aan, zegt hij.
HET WORDT AL licht als de wijn en de wiet op zijn. Onderweg naar huis komen ons twee jongens met hun vriendinnen tegemoet. Biggie, stomdronken, klampt meteen een van de meisjes aan. Ze draagt een groen leren jasje en rode pumps. Hulp van haar vriendje heeft ze niet nodig om Biggie van zich af te slaan. Met een soepel gebaar haalt ze een kleine revolver uit haar tasje en drukt die tegen Biggies wang. Hij valt bijna in katzwijm. Als hij ergens geil van wordt, is het wel van vrouwen met guns. 'Dat zie je hier bijna nooit!’ gilt Biggie.
De volgende dag blijkt dat we geluk hebben gehad. Die nacht werd in een ander deel van de stad een jongen doodgeschoten. Om niets. Door gewapende manlijkheid vallen in Pristina, waar de oorlog nog niet woedt, gemiddeld twee doden per week. Doorgaans 'mannen’ jonger dan vijfentwintig jaar.