Man doodt hond

Honden zijn niet meer veilig in de Brusselse buitenwijk Mariëndaal. Een seriemoordenaar heeft het op ze gemunt. Er gaan geruchten over een postbode, maar bewijzen zijn er niet. ‘Past u op, hè, als u bij hem langsgaat.’

KUN JE DE eenzaamheid ruiken? In Mariëndaal, een woonwijk in de residentiële Noord-Brusselse randgemeente Neder-over-Heembeek, zeker. Hij stinkt naar hond, naar versgemaaid gazon en natte pels. Je kunt haar ook voelen. Miezerig is ze, als een sluimerende maandagochtendregen. En horen kun je haar, als geblaf dat de stilte doorklieft.
In enkele dagen tijd stierven kortgeleden een handvol honden in Mariëndaal, vanwege mysterieuze vleesballetjes die op een gazon zouden zijn rondgestrooid. Een dertigtal beestjes moest met verschijnselen van acute nausea, vergiftiging en epilepsie door de dierenarts worden behandeld. Een voormalige postbode die volgens de buurt de daad op zijn geweten heeft, kreeg zijn brievenbus volgepropt met hondenpoep.
Ondanks alle verdenkingen heeft het politieonderzoek maar weinig opgeleverd. Twee balletjes met gif, de lijkjes van een zevental vergiftigde honden, verder niets.
Politiewoordvoerder Begin verklaarde dat het wellicht om insecticiden zou kunnen gaan die op het gazon waren gespoten. ‘De onrust onder de hondenbaasjes lijkt de vorm van een lichte psychose aan te nemen’, noteerde een verslaggeefster van De Morgen. 'Ze vertellen elkaar wilde verhalen en noemen dodentallen die volgens de politie uit de lucht zijn gegrepen.’
Op het gazon in kwestie is een bordje geplant: Verboden voor honden. Privé-domein, staat erbij. In de druilerige mist nadert een sombere schim: mevrouw Perez, een dame van Spaanse afkomst die geheel in het zwart gekleed gaat. Ze heeft een wollen muts over haar oren heengetrokken en op haar linkerschouder rust een kolossale paraplu. Voor haar uit dribbelt Praline, een ongedurige Pekinees met een schorre blaf.
'Met mijn hond is er gelukkig niets gebeurd, maar fabels zijn het zeker niet, meneer. O nee! Men heeft twee bolletjes gevonden met een zeker gif. Strytine of zoiets. Er zijn zeven of acht honden aan dood gegaan. De mensen waren diep geschokt, de honden zijn omgekomen in erbarmelijke omstandigheden. Verkramping van de spieren, gebrek aan zuurstof, het hart dat explodeerde… We weten wie het gedaan heeft, maar we hebben geen bewijzen. Ik heb gehoord dat die man elders ook zaken op z'n geweten heeft. Dat zeggen de mensen, hè. Maar ik kan u verder niets zeggen.
Het is een politieman die me dit verteld heeft. Ho! Ho! Praline! Praline! Praline! Viens iciiiihhh!!!’
Mevrouw Perez snelt naar voren, want haar kleine schoothond wordt bijna opgevreten door een kanjer van een Rottweiler die zijn blonde eigenares over het pad heen trekt, als een soort rodeostier. Paniek. De blonde dame snoert haar Rottweiler zo strak mogelijk aan de lijn. Mevrouw Perez vlucht weg uit de gevarenzone, met Praline onder de arm.
'Djeebee is lief, als ik erbij ben kan er niets gebeuren’, verzekert Dina, de eigenares van de Rottweiler. De hond maakt happende bewegingen naar mijn armen, en springt telkens naar voren. Kwijl druipt tussen de ivoren weerhaken van de roestbruine carnivoor.
Dina: 'Volgens sommigen zijn er tien honden dood, maar ja, pfff…’ Ze verontschuldigt zich en gaat haar hond achterna, het blokje om. Mevrouw Perez durft weer naderbij te komen. Ze hervat al fluisterend haar jeremiade. De frustraties van mevrouw Perez, zo blijkt, gaan verder dan het dierenleed. 'Vijfentwintig jaar geleden ben ik mijn man naar Brussel gevolgd. Dat ik geen woord Frans sprak, nam niemand me kwalijk. Nu spreek ik Frans en hoor ik niets dan opmerkingen over mijn accent.
Men ziet mij aan voor Marokkaanse en slingert vuile opmerkingen naar mijn hoofd. Het zijn de flaminganten, hè. De mensen van het Vlaams Blok die hier de sfeer verpesten. Vorig jaar heb ik een hartaanval gekregen. Ik trok het me allemaal te zeer aan. Kort daarvoor was mijn man overleden, op de werkvloer. Hij was altijd in de weer, dag en nacht, hij werkte aan de welvaart van dit land. En het enige wat de flaminganten ons nu zeggen is: ga terug naar waar je vandaan komt. Het racisme is hier zo erg, meneer. Het is erger dan in Kosovo, dat verzeker ik u. De man van de vleesballetjes is ook flamingant. Hij wil niet tegen me praten in het Frans. Hij schreeuwt in het Vlaams als ik m'n hond uitlaat. Hij vindt dat de pelouse voor zijn flat van hem is. Maar het is collectief eigendom van de flatbewoners. Het is niet zijn gazon!’
DE ONBARMHARTIGE DAAD van de serial dog killer in Mariëndaal heeft iets aan de oppervlakte gebracht waaraan men voorheen nauwelijks aandacht besteedde: de schrijnende eenzaamheid van veel bewoners. Een troost is het dat de mensen in de buurt nu iets hebben om over te praten.
Lotgenoten nodigen elkaar uit op de koffie, om het verdriet te delen of gewoon om eens kennis te maken met de nieuwe viervoeter. De serial dog killer verbroedert een buurt waar men aan de eigen privacy evenzeer gehecht was als aan zijn trouwe huisdier.
Mevrouw Perez weet van geen ophouden. Ze is duidelijk blij dat ze eindelijk iemand heeft om tegen te praten; een hond heeft wel een tong, maar geen stem.
Haar woorden blijven stromen, ook als ze op de bel heeft gedrukt van de familie Brauner-Franck die door toedoen van 'het monster op drie hoog’ haar West-Heiland-terriër is kwijtgeraakt.
De parlofoon kraakt: 'Wie bent u? Nee, nee, nee, nee, ik wil er niks over horen…’
Kort daarna klinkt de stem van mevrouw Brauner-Franck. Ze aarzelt of ze me te woord wil staan, maar besluit toch naar beneden te komen. Een zongebruinde, onopgemaakte vrouw van ongeveer zestig jaar, gekleed in een paarse duster. 'Wie heeft u gestuurd?’ vraagt ze wantrouwig.
Nadat haar terriër bezweken was, vond mevrouw Brauner op het gazon twee vleesballetjes. Die heeft ze aan de politie overhandigd. Er bleek strychnine in te zitten. Meer wil ze er eigenlijk niet over zeggen. 'Zoekt u maar naar anderen. Er zijn er hier genoeg die slachtoffer geworden zijn. Nee, ik heb liever niet dat u morgen nog eens terugkomt. Ik kan er niet over praten. Het doet nog te veel pijn.’
Mevrouw Perez kent nog wel iemand die de dupe is geworden. Daniëlle Mariën van de elfde verdieping. Haar bouvier Sophokles heeft ook van de balletjes gegeten, maar kon overleven door de tijdige tussenkomst van de dierenarts.
Daniëlle Mariën: 'Er zijn vijftien honden gestorven en een dertigtal is onder behandeling geweest. Mijn hond kreeg zaterdagmiddag zijn eerste crisis. Sopho is plat op de vloer gevallen, z'n poten lagen als geknakte stokjes naast zijn lijf, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit de mond.
Sopho’s lever is vergiftigd. Hij is door de aanvallen echt geknakt. Zijn levenslust is weg, hij is een oude hond geworden.
Iedereen weet wie het gedaan heeft, want de verdachte riep in het verleden steeds dat we weg moesten gaan. Hij schold op ons, schreeuwde dat we ergens anders moesten gaan wandelen. Waarom de politie hem thuis dan geen bewijs gevonden heeft? Die meneer is niet dom, hè. Hij is ervaren, dat moet wel. Het is een man met een strafblad. Hij is bekend bij de politie voor een zekere moordzaak. Er zijn wapens bij hem thuis. Mij heeft hij niet direct bedreigd, nee, maar hij heeft gezegd tegen een jongetje wiens hond gestorven was en die hem uitschold voor moordenaar: “Ik zal het nog doen.” Tegen dat jongetje heeft die man nota bene een klacht ingediend wegens smaad.
Ik ben hier gaan wonen juist omdat ik een hond heb en er bos, groen en weide rond deze flats liggen. Verhuizen wil ik niet. Ik woon hier sedert vijftien jaar en ik wil hier blijven wonen. Ik heb geruchten gehoord dat de gemeente de zomen van het gazon is komen schoonspuiten. Geruchten.
Maar ik heb nooit ook maar iets gezien van schoonmaakacties. Past u op, hè, als u bij hem langsgaat.
De dochter van mevrouw Rome-Mattheus is vermoord nabij Wavre en naar het schijnt heeft die meneer ermee te maken.
En nu woont hij dus samen met de moeder van het vermoorde kind!’
IK NEEM DE LIFT naar beneden en loop naar de achterste flat waar 'het monster van de derde verdieping’ woont.
De stem van meneer Rome klinkt over de parlofoon. 'Hallo? Wie bent u? Hoe zegt u? Nee, ik wil niet praten, nee, nee, nee dank u.’
Krrrkkk… stilte. Ik druk nogmaals op de bel, maar er wordt niet meer geantwoord.
Een man met een wit Maltezer Leeuwtje verlaat het portaal van het flatgebouw. Hij draagt een bruine openhangende jas, een grote bril, een toepetje van sluik, blond haar met een lineaalrechte scheiding over zijn voorhoofd. Van de serial dog killer heeft hij geen last gehad omdat hij 'tijdig is gewaarschuwd’. Bang is hij niet. 'Ik begeleid mijn hondje altijd naar de bosjes verderop waar nooit balletjes gevonden zijn.
En wat die facteur op de derde verdiep betreft: we hebben vermoedens, maar we kunnen niets met zekerheid zeggen. Zolang er geen bewijzen zijn, doen we er beter aan te zwijgen.’