Man en mythe

Annejet van der Zijl geeft een fraai beeld van de ‘onbekende’ jeugd van prins Bernhard, maar haar boek is niet af. Haar houding tegenover haar onderwerp veranderde gaandeweg.

Annejet van der Zijl, Bernhard. Een verborgen geschiedenis. € 27,95

Jan Hoedeman, Remco Meijer, Willem IV. Van Prins tot koning. € 24,90

De nieuwe biografie van prins Willem-Alexander door Jan Hoedeman en Remco Meijer is een uitputtend verslag van een nog jong leven dat in het teken staat van een hogere bestemming. Ergens in dat leven wordt het de prins duidelijk dat hij niet onder zijn plicht uitkomt, en hij schikt zich; hij laat vervolgens zijn leven invullen door bemoeizuchtige types als Eef Brouwers, Wim Kok en Erica Terpstra. Zijn schoonvader mag niet op zijn huwelijk komen; leden van de fractie van de Partij voor de Dieren en de ChristenUnie mogen bepalen waar hij wel of niet zijn vakantiehuis bouwt. Het is het leven van een lijfeigene.
Het sneue is dat Willem-Alexander dat in hoge mate te danken heeft aan zijn grootvader, prins Bernhard, de oorlogsheld, de avonturier, de schavuit, de overspelige. In de loop van diens leven zag de Nederlandse regering zich geconfronteerd met vele kwesties die aan het landsbestuur raakten. De prins bemoeide zich met economische zaken, met Nieuw-Guinea, met defensie, met internationale organisaties, deels uit functie, deels uit eigenwijsheid. Vanaf de jaren zestig, toen de prinsessen gingen trouwen, is daarom het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid ontwikkeld. De behandeling van de Lockheed-affaire in het openbaar, in het parlement, was het directe gevolg. Sindsdien zitten de leden van het koningshuis aan de riem.
Aan deze Bernhard heeft Annejet van der Zijl een biografie gewijd. Ze vergaarde veel onbekend materiaal, bijvoorbeeld uit het rijke familiearchief van de familie Zur Lippe. Die nieuwe gegevens, en de vlotte manier waarop zij daarmee een beeld schetst van Bernhards leven tot aan zijn huwelijk, vormen de belangrijkste waarde van haar boek.
Naarmate het verhaal vordert komt dat echter anders te liggen. Ze schrijft: ‘Het bleek onmogelijk de bestaande literatuur te verdelen in betrouwbaar of niet betrouwbaar. Ook serieuze en onafhankelijke publicaties van gerenommeerde wetenschappers en journalisten bleken besmet geraakt door de mythevorming.’ De haard van de besmetting lag bij Bernhard zelf. Geen enkele versie van zijn levensverhaal bleek betrouwbaar, zeker niet de versies die hij zelf dicteerde (aan Jan Waterink in 1951 en Alden Hatch in 1962) maar ook niet de latere gesprekken met Harry van Wijnen, Pieter Broertjes, Bart Tromp of Martin van Amerongen. Zelfs de meest eenvoudig te controleren feiten bleken verhaspeld, verdonkeremaand of verkleurd, en met opzet: met de verwarring deed de prins zijn voordeel. Hij kon zo tot het einde van zijn leven bij hoog en bij laag volhouden, zelfs in een notariële akte, dat hij nooit 'een nazi’ was geweest. Maar dat was hij wel.
Toen Bernhard Graf von Biesterfeld werd geboren, in 1911, was de wereld nog sprookjesachtig. Zijn wieg stond in een keizerrijk, een wereld geobsedeerd door adellijke titels en heerlijke rechten, door protocol, en de zuiverheid van het blauwe bloed. Van der Zijl tekent dat met verve en plezier. Ze laat zien hoe in het begin van de negentiende eeuw al flinke barsten in die structuur ontstonden. Het verloop van het morganatisch huwelijk van Bernhards vader met de gescheiden Armgard von Cramm toont dat de lijnen in de twintigste eeuw al niet meer scherp getrokken werden. Aanvankelijk leidde zo'n mesalliance altijd tot schandaal en sociaal isolement, maar Armgard wordt op den duur toch de prinselijke waardigheid verleend, die overgaat op haar zoons, Bernhard en Aschwin.
Toen Bernhard geboren werd kon niemand vermoeden dat dat hele systeem binnen enkele jaren bijna volledig zou worden weggevaagd. Evenmin zal iemand hebben vermoed dat dezelfde Bernhard meer dan negentig jaar lang, tot in de 21ste eeuw, de sporen van die jaren in zijn ziel zou meedragen. Dat is althans de stelling van de biografe: de prins is vooral gevormd door die vroege, onbekende geschiedenis.
Zij destilleert uit Bernhards jeugd drie belangrijke tendensen. De eerste is genoemd: een overgevoeligheid voor rangen en titels. De tweede: geldzorgen. Het huis Lippe was niet arm, maar de situatie was onbestendig en in 1934, na de dood van Bernhards vader, was de koek op. Bernhard en zijn broer hadden toen een jaartoelage van 3650 mark in het vooruitzicht, 'ongeveer twee maal het loon van een fabrieksarbeider’. Daarvan kon hun decadente leventje niet worden betaald. De derde tendens: Bernhards beperkingen. Voor de prins, die een zwakke gezondheid had, was het leven van landheer niet weggelegd. Traditioneel stonden dan de diplomatieke dienst en het leger voor hem open, maar voor de eerste was hij niet ambitieus genoeg, en voor het tweede te oud. Er bleven nog drie andere mogelijkheden: het bedrijfsleven (maar daar had hij niet werkelijk belangstelling voor), de nazi-beweging (maar daarvoor gold eigenlijk hetzelfde) en ten slotte: een goed huwelijk. Die optie koos hij. De manier waarop Bernhard Juliana en haar moeder in een tijdsbestek van veertien dagen benaderde, inpalmde en betoverde is ronduit fantastisch. Niet alleen die twee eenzame muisgrijze vrouwen, maar het ganse land raakte in extase, en dat zegt heel wat over de Spartaanse saaiheid van het leven, hier.
Het huwelijk is het breekpunt in het boek. Vanaf dat moment heeft de onderzoekster geen greep meer op haar bronnen. Ze heeft in haar proloog de lezer gevraagd alles te vergeten wat hij of zij van 'onze prins’ denkt te weten en het onderwerp als nieuw te benaderen. Wie Waterink en Hatch waren, wat zij voor onzin opschreven, en in welke context, bewaart Van der Zijl tot pagina 373. Dat klinkt als een verstandige, gedesinfecteerde, zo-neutraal-mogelijke organisatie van het materiaal, maar helaas stuurt Van der Zijl haar 'schone’ onderzoek zelf in het honderd. Het kwaad is al geschied: in het hoofd van de schrijfster heeft het idee postgevat dat Bernhards zelf-mythologisering het gevolg is van een karakterloos, doortrapt opportunisme, bepaald door zijn decadente jeugd.
Het vervult haar merkbaar met afkeer. Dat is legitiem, op zich. Maar door de frustratie overziet Van der Zijl belangrijke dimensies van Bernhards latere leven niet. Dat blijkt het sterkst uit haar behandeling van de oorlogsjaren.
De biografe stelt dat de werkelijke bijdrage van Bernhard aan de oorlogsverrichtingen vrijwel zonder betekenis was. Ze ziet zijn Londense bestaan als een vervolg op zijn Berlijnse: een lollig leven van drank en vrouwen, beleefd met 'fatalistische onverschilligheid’. Al die foto’s van de prins in vliegertenue, de verhalen over bombardementen op V1-bases, de duizend vlieguren in de Spitfire, de raid op Pisa, de vluchten voor de raf als 'Commander Gibbs’: het is allemaal bedrog, zegt Van der Zijl, of althans: niet te staven. Zijn opperbevelhebberschap was een papieren functie; zijn aanvoering van de Binnenlandse Strijdkrachten in het vacuüm na Dolle Dinsdag was chaotisch, een plundertocht, en komt dicht bij een staatsgreep.
Dat klinkt kras, maar het zal best zo zijn: je hoeft Bomans’ Kopstukken (1947) maar op te slaan voor een sarcastisch portret van de oorlogsheld Hazelnoot - een verwijzing naar Hazelhoff Roelfzema - die 'met bovenmenselijke moed’ precies daar verschijnt waar de bezetter nét vertrokken is. Natuurlijk was het beeld dat de Nederlanders van hun oorlogstijd hadden grotendeels vals. Natuurlijk werd er van meet af aan over gejokt. Dat is nu eenmaal zo, met mythes: ze vullen een behoefte. Pas veel later, in de jaren zestig, zouden de beelden worden bijgesteld.
Toch doet Van der Zijl de prins te kort. In zijn herdenkingsrede voor de Raad van State in 2004 memoreerde Herman Tjeenk Willink dat Bernhard in de meidagen een uiterst moeilijke en gewetensvolle keuze had gemaakt. Hij bevond zich in Londen, in Nederlands uniform, tegenover de Duitsers, dat wil zeggen: tegenover zijn beste vrienden, zijn neven, zijn eigen broer - mensen die drie jaar eerder nog te gast waren geweest op zijn huwelijk. Via de radio keerde hij zich tegen Duitsland, en noemde Hitler, de man tot wiens partij hij nota bene in 1933 was toegetreden, een tiran. Daarmee pleegde hij in de ogen van de Duitsers landverraad. De consequenties waren niet mals. Dat blijkt uit een brief aan Juliana van 22 augustus 1940: 'Vrij leelijke dagen achter de rug (…). Erwin (Aschwin - kk) uit het leger gezet, alles afgenomen, dreigen met confisqueeren van alles, auto’s en paarden weggenomen, couranten vol met allergemeenste dingen over mij (…). Mama zeer zwak, vrij hoopeloos.’ Professor Cleveringa schreef na Bernhards radio-uitzending in zijn dagboek: 'Alles een machteloze vertoning? Ten dele ja; maar er ging een zedelijk sterkende kracht van uit. Men keek elkaar even aan; zei niets; men begreep alles van elkaar.’
De stap was symbolisch, maar de werking was reëel. Annejet van der Zijl kan en wil echter de 'zedelijk sterkende kracht’ van Bernhards mythe niet op waarde schatten. 'Zedelijk sterkend’? De man was een leugenaar, een achterbakse manipulator, voilà. Ze onderschat dat de naoorlogse mythe veel meer omvatte dan alleen maar de ijdelheid van de prins, zijn geldzucht, of zijn verlangen, onplezierige feiten over zijn verleden of zijn huwelijk te verdonkeremanen.
Van der Zijl stelde zich als basisvraag 'What makes Sammy run?’ en voegde daar 'What makes Sammy lie?’ aan toe. Die vragen beantwoordt ze, maar er had nog een derde moeten volgen: 'Why does everybody want to believe Sammy?’ Dat is de vraag die Regina Grüter stelde in Een fantast schrijft geschiedenis, over Friedrich Weinreb: 'Hoe hadden al die mensen zo kritiekloos achter hem aan kunnen lopen? Waarom geloven mensen eigenlijk wat zij geloven?’ Dezelfde vraag speelt een rol in recente literatuur over de vervalser Han van Meegeren. Dat was een échte schurk, die zich echter tijdens zijn proces, in de naoorlogse chaos, wist te presenteren als de nationale Robin Hood, die Göring belazerd had. Die wezenlijke, derde vraag betreft de behoefte aan mythes, de behoefte belazerd te worden.
Belazeren, dat is een fijn woord. Van der Zijl citeert haar vorige onderwerp, Annie M.G. Schmidt, die in 1936 het verloofde paar in Amsterdam tegenkwam: 'Prins Benno grijnst altijd van top tot teen. ’t Is net of hij denkt: belazeren jullie me maar, ik doe ’t jullie ook.’ Schmidt had dat goed gezien. Dit was natuurlijk geen werkelijke liefde: hier was een middeleeuwse overeenkomst gesloten tussen twee vorstenhuizen. De Nederlanders wilden een man voor Juliana en continuïteit in het koningshuis: dat kon Bernhard leveren. Bovendien verlangde het land naar een beter zelfbeeld, een zeker zelfrespect, en ook daar zou de prins in voorzien, zeker in de oorlog. In ruil garandeerde de Nederlandse staat de prins een ruime beloning - hij wist maar al te goed hoe de arme prins Hendrik door Wilhelmina was gekoeioneerd - en ook, in zekere mate, de vrijheid zijn leven verder naar eigen inzicht in te richten. Een belangrijk punt daarbij, dat in Van der Zijls boek onaangeroerd blijft, is het staatsrechtelijke aspect. Er bestond in 1936 nog geen ministeriële verantwoordelijkheid voor het koningshuis. Er wás niet eens een koningshuis, er was alleen de koningin en haar dochter. Van Wilhelmina was de positie duidelijk, van Juliana al veel minder en van Bernhard helemaal niet. In de oorlog was er sowieso geen ministeriële verantwoordelijkheid, en daarna liet de regering de prins de ruimte. Hij profiteerde daarvan, maar Nederland ook.
De prins werd betaald om het koningshuis toekomst én glans te geven, en die afspraak bleef hij trouw. Hij zou voor de camera’s altijd volhouden dat hij van Juliana hield. Hij was een trouwe vader voor zijn kinderen. Hij stond in Wageningen pal voor de veteranen. Aan Broertjes en Van Wijnen en ons allemaal leverde hij op verzoek de mythe die wij zo graag wilden hebben. Wij belazerden hem, hij belazerde ons. Dat was de deal.

Annejet van der Zijl
Bernhard: Een verborgen geschiedenis
Querido, 458 blz., € 27,95

Jan Hoedeman, Remco Meijer
Willem IV: Van prins tot koning
Atlas, 369 blz., € 34,90