De tedere onverschilligen van Oscar van den Boogaard

Man in wanhoop

Oscar van den Boogaard laat er in het begin van De tedere onverschilligen geen gras over groeien. Een jonge leraar krijgt ontslag omdat hij een verhouding heeft met ‘Nicky Vogel, het onberispelijke hockeymeisje uit de vierde klas’. Ja, hij zoende haar in de fietsenkelder, maar in feite heeft hij een verhouding met Wanda, haar moeder.

Oscar van den Boogaard, De tedere onverschilligen, € 17,90
e-book € 13,95

Dit dreigt natuurlijk zo’n boek te worden, met verhoudingen die op ontploffen staan, mooie milieus en schitterende bankstellen, plus wie weet ritten langs zee op een paard. Maar Van den ­Boogaard weet wel beter, bij de woorden ‘onberispelijke hockeymeisje’ werd ik al wakker. ‘Ze legde de krul van haar hockeystick in mijn nek en trok me langzaam naar zich toe.’ Mooie details meteen over een leeghoofdige jongeling die zelf vrijwel niks onderneemt en niet van plan is zich iets ergens aan gelegen te laten liggen. Een moderne man zonder eigenschappen. Zoiets lukt natuurlijk alleen als je een stijl hanteert die de clichés van dit gegeven er dik oplegt maar ze ook ondergraaft.

In het begin van dit kleine maar fijne boek had ik wel wat last van het opgediende recept over verraad tussen modieuze en elegante geliefden die met de deuren slaan en elkaar flink uit­benen. Maar steeds weet de schrijver er van die zinnen tussen te monteren die me toch de juiste richting op duwen. ‘Ik heb de kracht niet meer om mensen te overtuigen’, staat er bijvoorbeeld ineens zomaar tussen. Of: ‘Het was alsof ik een pop in mijn handen had. Ik wist niet of ze met me vree of dat ze speelde dat ze met me vree.’ Tussen alle luchtige modezinnen van het elegante verhaal, die Van den Boogaard moeiteloos uit zijn hoge hoed tovert, lispelt dus grote, zwarte onvrede, die nergens benoemd wordt. Dit boek is een fraaie zeepbel die uit een modderig en stinkend moeras is opgestegen. En ­langzamerhand weet hij dit beeld steeds beter door te laten dringen.

Als je er even over nadenkt besef je dat deze schrijver, die steeds net doet of zijn neus bloedt, in feite een man in ­wanhoop aan ons laat zien. Keiharde onvrede, daar gaat het om, niet voor niets dat er voortdurend kleine toespelingen in zitten op het werk van Albert Camus. Je kunt natuurlijk een beetje om de ‘held’ glim­lachen, om zijn passiviteit, om zijn ik-weet-van-niks gedrag. Je kunt plezier hebben om van den Boogaards subtiele taalverlangen maar voordat je het weet begint de depressie toe te slaan, al is dat wel een wat te groot woord bij dit eigenaardige verhaal. Deze schrijver werkt nooit expliciet met dit soort begrippen.

Tegen het einde sluit de ik in Napels (eerst Napels zien…) vriendschap met een hoogst interessante visser op octopussen die als psycholoog bij de Navo werkt. Zoiets is om te lachen natuurlijk, hoe verzin je het, maar juist deze figuur trekt ineens alle aandacht naar zich toe. Wat een mooie figuur. En de jacht op octopussen krijgt langzamerhand een sterke symbolische lading, al doet Van den Boogaard ook hier alsof het allemaal toevallig is. Heel mooi en pijnlijk gedetailleerd is die jacht beschreven. Je moet octopussen precies tussen de ogen raken en als je ze wilt opeten moet je ze eerst dertig keer keihard tegen de rotsen aan meppen. Dan worden ze mals. Je begint als lezer steeds beklemder naar dit ritueel te kijken. Ook de vondst van een stel dode Chinezen weet de beide heren niet erg te verontrusten. In dit tweede deel van de roman stijgt Van den Boogaard op tot grote hoogten. Hij grossiert in hoogst vermakelijke en diep-depressieve beschrijvingen, waar je wel even op moet gaan letten, anders ontgaan ze je. ‘Na de buikspieroefeningen doet hij in zijn eentje push-ups. Kreunend stort hij in elkaar; hij maakte het geluid van een stervende. Ik zit bezweet achter zijn computer en geef de plantjes nog wat water.’

Oscar van den boogaard

De tedere

onverschilligen

De Bezige Bij,

170 blz., € 17,90