Man met bakvissenverdriet

Jeroen Brouwers, die de Prijs der Nederlandse Letteren met veel bombarie weigerde, is een lulhannes. Hij wil een martelaar zijn, maar eigenlijk wil hij zijn burgerlijke kaders, zijn verdiende loon, een mooi pensioen, zijn natje en zijn droogje.

Jeroen Brouwers
Sysiphus’ bakens. Vloekschrift (Feuilletons nr. 8)
Atlas, 112 blz., € 15,-

Als zestienjarige las ik Bezonken rood van Jeroen Brouwers. In die roman verliest een door ’s levens zwarigheid geplaagde, Brouwers genaamde pillenslikker van veertig zijn moeder. Bij de crematie ontbreekt hij; hun contact is al veel eerder onherroepelijk verbroken. Tussen hen in staat een vervreemding die na hun tropenjaren in het Jappenkamp incubeert als zijn fysiek en geestelijk tot moes gebeukte moe hem na de oorlog bij een internaat aflevert, met een zoen op de mond. ‘Het traliewerk tussen mij en het verraderlijke vrouwendom is nooit meer opgetrokken – mijn haat jegens moeders siert sedertdien mijn ‘levensbesef’.’
‘De lulhannes’, oordeelde mijn eigen moeder, die me altijd dierbaar is gebleven: ‘Erg kan bij die poseur niet erg genoeg zijn. Allemaal krokodillentranen.’
Ik begreep dat niet van haar. Ik begreep Brouwers, dacht ik. Nu weet ik waarom. Bezonken rood is puberliteratuur.
‘Ik ben een wees’, schrijft de pillenslikker, ‘van bijna eenenveertig jaar.’ Dat is een sleutelzin. Wie op zijn veertigste in een autobiografisch boek zoiets kan opschrijven – en bij Brouwers is alles autobiografisch – heeft het met zichzelf en zijn verdriet kinderlijk goed getroffen. Ik, alleen op de wereld. Ik, kind van de rekening. Ik, martelaar. Goed, elk motief is er een, als er maar taal van komt; en schrijven kan Brouwers. Zo werd zijn hele oeuvre – van roman tot egodocument, van kladboek tot vloekschrift – tot een exhibitionistisch gestileerde klaagzang ohne Ende, die hij met indrukwekkende volharding heeft gezongen. Is er geen ongeluk, dan zoekt en vindt hij het, met een talent voor lijden dat hij met jenever en Seresta Forte strategisch destructief op de been houdt. In Winterlicht, zijn volgende roman: ‘Als ik sterf zal de arts als de oorzaak van mijn dood noteren: ‘Walging’.’ Daar spreekt geen mens, zoals dat moet in een boek. Daar zit een man met bakvissenverdriet over het paard getilde, spleenzoekende puberlezers op te geilen. Als ze zestien genoeg zijn, zijn ze vast machtig onder de indruk. Op die leeftijd lijdt iedereen, ook ik.
Wanneer de oud-brouwersiaan, bij zinnen gekomen, dezer dagen Brouwers’ ‘vloekschrift’ Sisyphus’ bakens onder ogen krijgt, dan zal hij zich beschaamd het pathos van zijn kinderjaren heugen, en spijtig vaststellen dat het bij sommigen nooit weggaat. De wereld waarin Jeroen Brouwers een grote literaire prijs krijgt die hij na veel vijven en zessen stampvoetend afwijst, lijkt als twee druppels water op het jammerdal van Bezonken rood, met in de hoofdrollen Ronald Plasterk als kampcommandant en Jeroen Brouwers, business as usual, als kop van Jut. Ander decor, zelfde operette.
In april 2007 bericht de Nederlandse Taalunie Brouwers telefonisch dat hem, bij unaniem besluit, de Prijs der Nederlandse Letteren is toegekend, die de bekroonde Nederlandse of Vlaamse taalgrootmeester al naar gelang zijn nationaliteit bij het Belgische of Nederlandse hof mag komen afhalen. Tevreden? Niks ervan. Weg rust, mokt Sisyphus het gegeven paard hautain humeurig in de bek. Of hij maar even snel een lijst met genodigden bij de Taalunie wil deponeren, terwijl hij net zijn handen vol heeft aan een boek – wat denkt men wel, hem van zijn werk houden. Het persbericht van de Taalunie is een farce. Het Belgische hof, dat de laureaat in Brussel ten paleize zal onthalen, kan zijn republikeinse kont kussen. Trix of Albert, het is lood om oud ijzer: ‘Er is aan het Belgische alsook het Nederlandse Hof in geen eeuwen een literair boek ingezien.’
Wat is de morele consequentie van het zelfrespect dat Brouwers zo node zegt te missen bij vakbroeders die in RTL Boulevard op Ako-dagen zonder te verblikken of verblozen lulvragen beantwoorden van de beroepslul Peter van der Vorst? De noodzaak van een rechte rug, die Brouwers zwart op wit met plattelandse pathetiek maar veelbelovend vuur verdedigt. ‘Voor mij is literatuurbeoefening qualitate qua een anarchistische bezigheid, laat mij maar schuiven en blijf vooral bij mij uit de buurt, leve de Republiek!, ik buig voor niets en niemand.’
Behalve voor geld. Mits het genoeg is. Maar het is niet genoeg.
Als Brouwers leert dat zijn Prestigieuze Staatsprijs maar zestienduizend euro waard is, gaan in het Zutendaalse armenhuis alle alarmbellen rinkelen. ‘Mijn volledig en uitsluitend aan de literaire kunst gewijde leven, mijn in alle moeizaamheid en integriteit tot stand gebrachte oeuvre gewaardeerd met iets “ter waarde van” dat in geen enkele verhouding staat tot wat er zogenaamd mee wordt gewaardeerd.’ ‘Een aalmoes’, dat is het. ‘Zestienduizend eurootjes’, hoont het kruideniersjargon van Aldi en Zeeuws Meisje Schraalhans Keukenmeester weg. Het eergevoel, het zelfrespect? Ze zijn even betekenisloos geworden als het subtiele onderscheid tussen prijs en waarde. Kom zeg: hast nicht umsonst gelebt, gelitten! Als dit de stoerste literaire prijs is, mag het dan alsjeblieft een keer de vetste zijn?
In Sisyphus’ bakens duikt achter de papieren tijger en geënsceneerde wees de echte, bange, boos-kleinburgerlijke Brouwers op; de kat in het nauw. En die zegt niet, zoals een held betaamd had: steek die zakcenten maar in je reet. De echte Brouwers schrijft de Nederlandse Taalunie ‘plat op mijn buik van nederigheid en onderworpenheid’ dat hij zich vereerd voelt, maar dat het wel een onsje meer had mogen zijn. En wat zegt de zijdens Nederland verantwoordelijke cultuurminister Ronald Plasterk, die ‘zelfvoldane krielhaan’? ‘Ik ga dat bedrag nu zeker niet verhogen omdat de huidige winnaar het toevallig te laag vindt.’ De prijs, licht hij toe, ‘is een eerbetoon, geen inkomensvoorziening’.
De juiste reactie, lijkt me.
Brouwers kwaad. Hij een geldwolf? Weet Plasterk welke niksprijzen hij, uitsluitend voor de eer, toevallig wél heeft aangenomen? Maar weet hij ook, hoe hij in zijn Volledig En Uitsluitend Aan De Literaire Kunst Gewijde Leven heeft gesappeld voor ‘een oeuvre waar je tegen kan leunen’? ‘Terwijl zo’n schrijver, zeg ik, het salaris van een minister of bankdirecteur toekomt. Met pensioen.’ Uitgesloten, dat de kampcommandant enig benul heeft van ‘de benarde leefsituatie van de schrijver in onze taalgebieden, aan wiens literaire voortbrengsels het grote publiek geen boodschap heeft’.
In die ene zin staan alle fouten die een schrijver niet moet maken. Zijn beroepskeuze is zijn verantwoordelijkheid. Brouwers’ vertoon van slachtofferschap verhoudt zich ongemakkelijk tot het feit dat hij al een half leven lang wordt bijgepamperd door het Fonds voor de Letteren, gefinancierd met belastinggeld dat ook door echte kanslozen wordt opgebracht. Brouwers heeft nul recht op respect. Niets is voor een kunstenaar minder vanzelfsprekend dan het recht op erkenning. Wees dankbaar en zwijg, zou ik zeggen. Dat grote publiek kocht overigens wel 125.000 keer Geheime kamers, dus waar praten we over.
Hoor nu waarom Jeroen Brouwers ten slotte toch de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde. Het was, ten overvloede, natuurlijk niet om die verdomde centen. Het was omdat Plasterk geen poot uitstak voor een verhoging van het prijzengeld, met het perfide argument dat de reglementen zulks verboden. Terwijl zijn bovenstebeste Vlaamse collega Anciaux stond te popelen om te hulp te schieten, desnoods met een greep uit deze of gene Vlaamse letterenpot, schrijft Brouwers. Zie je wel: de kwaaien winnen. Het wereldbeeld is gered. Nu de oude dag nog.
De lulhannes, zeg ik mijn moeder na.
Deze lone hunter wil zijn vrijheid niet. Hij wil zijn burgerlijke kaders, zijn verdiende loon, een mooi pensioen, zijn natje en zijn droogje, alles liefst met behoud van zijn martelaarschap. Hier spreekt de Frits Bom van de letteren, de consumentenman van het sloeberdom, die namens alle uitgeteerde letterknechten quasi-onbaatzuchtig waakt over hun goeie geld, met dezelfde proletarische rancune als die andere proleet destijds op televisie. Ik speel niet eens op de man. Ik speel op een genre.
Geef ’m zijn staatspensioen, Plasterk. Dan zijn we van hem af.