Man met kegels

Ik ben pas drieëntwintig jaar. ‘s Zomers en ’s winters ben ik in een korte broek gestoken, met daarboven een T-shirt met het portret van Mickey Mouse. Mijn kale schedel is omklemd met een walkman, die de hele dag marsmuziek ten gehore brengt. Tussen half zes ’s ochtends, als de arbeiders naar hun werk gaan, tot ’s avonds kwart over vijf, als de laatste kantoorklerk zijn computer uitdoet, jongleer ik onder de overkapping van de Nederlandsche Bank. Dat doe ik nu al vijf jaar. Geld neem ik niet aan, ik leef van een uitkering.

Ik was dertien toen op een dag mijn ouders de training met de kegels onderbraken door mij te vragen: ‘Wat wil je later eigenlijk worden? Circusartist?’ Ik antwoordde: 'Nee, pappie, nee, mammie, ik wil gewoon gelukkig worden.’ Ontsteld riepen zij: 'Maar lieve jongen, dat is toch geen werk!’
Hoezeer ik dit incident ook probeerde te vergeten, mijn speelplezier was plotseling verdwenen. Door de twaalfurige werkdag, die ik inmiddels praktiseer, hoop ik te hebben bewezen geen nietsnut te zijn.
Gisteren is er iets vreemds gebeurd. Een van mijn kegels viel op de voet van een voorbijganger met een aktetas. Hij raapte het speeltuig op en streelde het met zijn ogen. Ik stelde hem, in een ingeving, voor om van functie te verwisselen. Eerst zag ik die flits van angst in zijn ogen die mij aan mijn lieve ouders herinnerde. Toen kraaide de man plotseling van plezier, accepteerde de kegels en nam mijn plaats in.
Even later liep ik door de wandelgangen van het bankgebouw, de aktetas onder mijn arm. Ik had het zo naar mijn zin dat ik begon te roepen: 'Geloof me! Werk maakt gelukkig!’ Nauwelijks was ik uitgesproken, of ik werd door de bedrijfspolitie gearresteerd.