Man met missie

Zes jaar na God’s Gym komt Leon de Winter met een nieuwe roman, waarin hij zich sterker dan ooit een onheilsprofeet betoont.

LEON DE WINTER
HET RECHT OP TERUGKEER
De Bezige Bij, 458 blz., € 19,90

In zijn onlangs ook in vertaling uitgekomen manifest Het afscheid van de literatuur (Querido, 2008), dat in Frankrijk al voor de nodige commotie heeft gezorgd onder schrijvers en critici, onderzoekt de Franse literatuurwetenschapper William Marx (geen familie) zijn stelling dat schrijvers de afgelopen eeuwen aan hun eigen ondergang hebben gewerkt. Namen schrijvers als Voltaire en Goethe, en iets later Victor Hugo en Théophile Gautier, nog hun politieke en sociale verantwoordelijkheid, en werden ze daarvoor beloond met een hoge maatschappelijke status, inmiddels is een schrijver niet meer dan een wereldvreemde mompelaar die in ‘de media’ al lang verdrongen is door de filmster en de popmuzikant. Het aan het eind van de negentiende eeuw opkomende l’art pour l’art-ideaal, in de eeuw erna geschraagd door snel populairder wordende opvattingen over de autonomie van het kunstwerk, hebben het genius en zijn creaties steeds verder af kunnen doen drijven van het maatschappelijk gewoel.
Marx haalt onder meer twintigste-eeuwse grote schrijvers als Borges, Perec en Calvino erbij, om te laten zien tot welke literaire spielerei dit heeft geleid: inspirerende en mooie kunst, maar ook vrijblijvend en machteloos. ‘Suïcidaal’ is de term die Marx zelfs gebruikt.
Marx heeft niet alleen zijn naam, maar ook zijn nationaliteit mee. Op de een of andere manier geeft juist het feit dat hij een Fransman is zijn uitspraken een zeker cachet. Terwijl wij Laaglanders natuurlijk onmiddellijk zien dat hij niet meer doet dan doorgaan op het spoor dat onze eigen Hans Goedkoop nu bijna vier jaar geleden inzette met zijn verhandeling over het autisme van de hedendaagse Nederlandse literatuur, Een verhaal dat het leven moet veranderen (Augustus, 2004). Dit persoonlijke boek, dat achteraf gezien zijn zwanenzang als criticus bleek te zijn, opende al heel omineus met de zin: ‘Voor wie het leven in de werkelijkheid vreest is er, zoals bekend, de uitweg van een leven in de kunst.’ In de navolgende hoofdstukken maakte hij, op de van hem bekende empathische maar niet minder dodelijke wijze, korte metten met het werk van achtereenvolgens A.F.Th. (denkt met zijn oneindige cyclus te ontsnappen aan het menselijk gewemel, maar bevindt zich in een doodlopende steeg), Giphart (durft de sprong niet aan van sensaties naar ervaring), Zwagerman (gaat in zijn werk tot het uiterste om in werkelijkheid maar nooit het volledige leven te hoeven omarmen), Grunberg (creëert zijn eigen spookorde) en Rosenboom (werpt met zijn geconstrueerde romans een barrière op tegen de onbegrijpelijke werkelijkheid). Critici verweet Goedkoop een zelfde soort angsthazerij. Is lezen al angst, met je boekje in een hoekje en laat de wereld maar aan mij voorbijgaan, schrijven óver lezen is het kwadraat van angst: lekker over een ander oordelen zonder dat je zelf beoordeeld wordt.
Jammer genoeg heeft Goedkoop het werk van Leon de Winter niet betrokken in zijn analyse. Dit zegt ook iets over het tautologische karakter van zijn beweringen en onderbouwingen; je kunt het een en ander over De Winter zeggen, maar niet dat hij bang is. En ook niet dat hij zich jarenlang terugtrekt uit het leven om op een zolderkamertje te gaan zitten schrijven, wat het schrikbeeld van Marx (William) is. Eerder heeft De Winter last van het omgekeerde, zoals hij vertelde vorige week tijdens de presentatie van zijn nieuwe roman: omdat hij dacht dat hij de wereld moest redden, kwam hij niet toe aan het schrijven van zijn volgende roman, en heeft het dus welgeteld zes jaar moeten duren voordat hij weer zover was. Opvallend overigens aan deze presentatie was dat er meer maatschappelijk prominente figuren aanwezig waren dan collega-schrijvers. Marx (William) zou tevreden zijn geweest, niet alleen over dit feit, maar ook dat er blijkbaar zo feilloos een onderscheid te maken is tussen schrijvers en maatschappelijk prominenten. Inderdaad: wie doet er nog toe, heden ten dage?
Leon de Winter dus, die met Het recht op terugkeer een zeer gewaagde roman heeft geschreven. En nu ligt het voor de hand allereerst uit te leggen hoe gewaagd de inhoudelijke strekking is van deze sciencefictionroman, die verteld wordt vanuit het jaar 2024 en 2025. Bijvoorbeeld dat hierin de schrijver, Israël-watcher, een doemscenario schetst voor de toekomst van Israël, dat ingekrompen en belegerd in feite onleefbaar is geworden. Of dat hij, vakman, op soepele wijze de gekste technologische informatie en snufjes integreert in zijn verhaal, en een sfeer creëert waarbij vergeleken Big Brother een kleine jongen is. En dat hij, liefhebber van de muziek van Queen die als een leitmotief in het boek is verweven, niet terugschrikt voor melodrama. Dat hij, radicaal, er geen twijfel over laat bestaan dat als de joden de Palestijnen niet zullen uitroeien, het omgekeerde zal gebeuren. Dat sowieso de moslims het zullen overnemen, waar ook ter wereld. Dat hij, slim, níet de moslimhaat in de mond legt van zijn protagonist Bram Mannheim, maar in die van zijn vader, zijn collega’s en zijn werkgever, waardoor het lijkt alsof er nog enige opening is.
Exponent echter van de postmoderne literatuurkritiek als ik ben, opgevoed in de aanschijn van het autonome kunstwerk, ben ik niet in de eerste plaats geïnteresseerd in welk verhaal wordt opgedist, maar in hóe dat wordt gedaan. Vervelend van schrijvers met een al te dringende boodschap is dat ze meestal niet kunnen schrijven. De Winter is wat dat betreft een apart geval. Met Het recht op terugkeer zet hij voort waarmee hij in zijn voorlaatste roman God’s Gym (2002) al grote hoogte bereikte: een soort uitgebeende literatuur, ver verwijderd van de Nederlandse literaire traditie, reikend naar de Amerikaanse hardboiled thriller. Aardig voor de lezer, herhaalt hij eindeloos hoe het ook al weer zat met de intrige, waar we ons nu bevinden en waarom. Het is een genre dat minder ruimte laat voor ambiguïteit en raadsels, en in plaats daarvan onontkoombaar afstevent op een verschrikkelijke ontknoping. Knap. Mooi. Beklemmend. Je wilt het allemaal lezen, en wel onmiddellijk.
Maar zou De Winter nu, zoals William Marx idealiter zou zien, op de schouders kunnen worden genomen als een hedendaagse Voltaire? Zouden zijn woorden kunnen worden ingedronken omdat ze profetische kracht bezitten à la Goethe? Ik weet het niet. De hartstocht waarmee de schrijver zijn zaak bepleit, is meteen ook zijn beperking. ‘Lotsverbondenheid’, laat de Winter zijn hoofdpersonage verzuchten, ‘dat deelde hij met hen (zijn studenten, zijn collega’s, zijn vader) en met de grote abstractie die dit land was. Hij kon er zich niet van bevrijden, ook al wilde hij dat.’ Hoe je het ook wendt of keert: Leon de Winter is een schrijver met een missie. Kan hij de wereld niet meer redden met zijn columns en zijn opiniestukken, dan toch zeker wel met zijn romans. Dat is heroïsch, maar ook tragisch. De wereld die hij beschrijft is zozeer onze wereld, zijn joden zijn zozeer de onze, dat de lezer niet anders kan dan zich tot zijn roman te verhouden alsof hij de krant leest. En dan denkt hij uiteindelijk vooral – niet over het boek, maar wel over de hierin aangesneden kwestie: houdt het dan nooit op? Er is geen soulaas, geen dieper inzicht zoals juist literatuur dat kan bieden. Er is alleen een bitter getoonzet wereldbeeld: waar de sjoel verdwijnt, verrijst de moskee.