POPMUZIEK

Man op de vlucht

John Hiatt

Het nieuwe album van John Hiatt is zijn twintigste in bijna veertig jaar. Hoe het ook met Hiatt ging - van alcoholist tot dolgelukkige gezinsman - hij is altijd albums blijven maken. Sommige waren zeer succesvol, voor andere beperkte het publiek zich tot zijn vaste aanhang. Sommige waren meesterlijk, andere volkomen ondermaats. Hiatt is een artiest bij wie commercieel en artistiek succes gelijk optrokken: zijn beste albums (Bring the Family uit ‘87 en Slow Turning een jaar later) zijn ook zijn meest verkochte. Op Bring the Family (1987) staat zijn grootste hit, het nog steeds onverslijtbare Have a Little Faith in Me. Het is vaak gecoverd, onder meer door Hiatts grote fan Ilse DeLange, maar niemand hielp het zo de vernieling in als Hiatt zelf, toen hij het voor een van zijn vele verzamel-cd’s opnieuw opnam met een elektronische beat erin. Het is moeilijk denkbaar dat hij zelf nog kan reproduceren wat hem toen bezielde. Na die twee succesalbums werd het allemaal minder, maar Hiatt is het type artiest dat zichzelf opnieuw kan uitvinden op een moment waarop niemand daar eigenlijk nog op rekent. Want daar was in 2000 opeens Crossing Muddy Waters, een grotendeels akoestisch album, en een van zijn beste. Dat is het interessante aan de lange loopbaan van zangers als Hiatt die eigenlijk vooral songschrijver zijn (hij heeft vele nummers geschreven die anderen, van Eric Clapton tot Iggy Pop, opnamen): op een dag krijgen ze opeens weer de geest en horen we weer dat wat ze ooit zo goed maakte er nog blijkt te zijn. Zo was het met Bob Dylan toen hij ineens Time out of Mind maakte, met Springsteen toen hij terugkeerde met The Rising, met Neil Diamond toen 12 Songs uitkwam of, in een volledig ander genre, met rapper Nas toen hij Hiphop is Dead maakte. Weinig zo enerverend als de werkelijk glorieuze comeback. Ja, dit: de nog zeldzamere tweede glorieuze comeback. Zoals die van Hiatt. Zijn vorige albums, Same Old Man en The Open Road, werden goed onthaald maar het waren, voorzichtig geformuleerd, weinig dwingende albums. Ze dreven op ambacht. Met Hiatt ging het zo te horen allemaal prima. Het zij hem gegund, het zou immers ronduit morbide zijn de klassieke wensdroom van de gekwelde kunstenaar los te laten op een man die zoveel heeft meegemaakt, maar het had een prijs en die heette gezapigheid.
Dat daarvan op zijn nieuwe album Dirty Jeans and Mudslide Hymns (de titelvergelijking met de voorgangers is in dit geval veelzeggend) geen sprake is, blijkt al uit opener Damn This Town, een western van een nummer: grimmig, ongepolijst, en spannend. Er is iemand op de vlucht uit een stad waar hij te veel sporen heeft achtergelaten. Het nummer klinkt naar de dreiging van geweld, naar een belast verleden. Hiatt op zijn best, met een rasp in zijn stem en een dreiging in zijn gitaar. Of hij nu verderop op het album een verloren liefde bezingt of zijn auto: hier klinkt een man die zichzelf opnieuw een schop heeft gegeven.

John Hiatt, Dirty Jeans and Mudslide Hymns, label: New West / Sonic Rendezvous