Doeschka Meijsings ‘Tweede man’

Man op drift

Het romantische en rationele wedijveren in het werk van Doeschka Meijsing. In ‘De tweede man’ triomfeert het pathos op verfrissend schaamteloze wijze.



DOESCHKA MEIJSING debuteerde in een epoque waarin serieus werk werd gemaakt van het opdienen van de eigen levenservaring als literair baksel. Een stoet van vrouwelijke auteurs rukte in de jaren zeventig op, een stoet waarin Meijsing opvallend niét thuishoorde. Haar debuut, de verhalenbundel De hanen en andere verhalen (1974), was direct al verrassend tijd- en sekse-loos, kwalificaties die kenmerkend bleven voor hetgeen met stugge regelmaat volgde.


Werd ze aanvankelijk bij de ‘academisten’ ingedeeld, samen met schrijvers als Dirk Ayelt Kooiman en Nicolaas Matsier, en was er even later zelfs sprake van ‘Revisor-prozaïsten’ als ultiem intellectualistische vergaarhoop, al snel zong ze zich met haar geheel eigen oeuvre en stijl overtuigend los van iedere categorisering.


Ondanks dat onmiskenbaar eigene, of misschien juist wel vanwege, is het niet eenvoudig de vinger te leggen op haar thematiek. Wanneer er een lijn wordt getrokken van haar debuutbundel naar haar voorlaatste roman De weg naar Caviano (1996), valt in ieder geval als overeenkomst op dat ze binnen kort bestek zeer uiteenlopende levensgeschiedenissen weet neer te zetten. Op een ingenieuze manier maakt ze duidelijk dat iedere persoon een verleden heeft dat zijn of haar handelen in het heden verklaart. In haar vroegere werk lag de nadruk op die ‘levenspuzzel’ als zodanig, en zorgde ze ervoor dat alle stukjes uiteindelijk in elkaar pasten. Gaandeweg liet ze de melancholieke onderstroom in haar werk meer de ruimte, ten gunste van de bezieling van haar personages, ten koste van hun perfecte pasvorm. Het wedijveren van de romantische en de rationele genius in Meijsings schrijversgeest is garant gaan staan voor even warmbloedige als weerbarstige romans en verhalen.



Dit wedijveren geldt in verhevigde mate voor haar nieuwe roman, De tweede man, bij mijn weten het eerste boek waarvoor ze zich door een historische figuur heeft laten inspireren. Alexander de Grote is niet direct een naam waarbij mijn hart sneller gaat kloppen, maar — ‘gelukkig’, zou ik bijna schrijven — De tweede man is noch een roman over Alexander de Grote, noch over de man in zijn schaduw, Hefaiston; zij spelen ‘slechts’ een spiegelende rol op de achtergrond. De tweede man is op de eerste plaats de tijd- en sekse-loze geschiedenis van de man die op drift raakt, die zoekt en niet vindt.


In dit geval heet hij Robert Martin, leraar klassieke talen en tevens dichter, die plotsklaps zijn leven overhoopgegooid ziet worden als gevolg van de erfenis van zijn broer. Hij heeft die veel oudere broer eigenlijk nooit gekend, maar heeft naar zijn gevoel wel zijn hele leven op hem gewacht. De gelegenheid om min of meer in de voetsporen van zijn broer te leven, zijn vrienden te leren kennen, in zijn huis te wonen, zijn dranklustigheid over te nemen, grijpt hij, bij gebrek aan eigen drijfveren, gretig aan. Evenals de mogelijkheid om zich via de mysterieuze steen in de nalatenschap van zijn broer een enorm prestigieuze en ambitieuze academische zoektocht op de hals te halen.


Het levert hem een liefde op, in Rome, een vriendschap, in Oxford, een avontuurlijke bootreis, van La Spezia via Tanger naar Dakar, een drinkgenoot, in Dakar, en een familieachtige kring op Cyprus. Ja, al deze locaties en nog meer beschrijft Doeschka Meijsing in geuren en kleuren.


Hefaiston, de tweede man, de loverboy van Alexander de Grote, speelt een belangrijke symbolische rol in deze roman. De steen in de erfenis brengt Robert op het spoor van deze twee-eenheid, de Held en zijn Schaduw, en hij ziet die weerspiegeld in de verhouding van zijn broer, ook Alexander geheten, met diens woestijnjongen Chaïm.


Tegelijkertijd ziet de lezer dat Robert zelf in feite ‘de tweede man’ is. Niet alleen in de verhouding tot zijn broer, maar ook in relatie tot de Italiaanse wetenschapper, wiens vrouw hij tijdelijk aftroggelt, en later ten opzichte van de Engelse wetenschapper die hem te snel af blijkt met het verwerken van het tweede-man-thema. De laatste beschrijft de strijd tussen de broer van Jezus (over tweede mannen gesproken), Jacobus, en Paulus, ‘een intrigant en een draaikont’ en de uiteindelijke grondlegger van ‘ons’ christendom. Ja, al deze kwesties en nog meer beschrijft Doescha Meijsing in luttele bladzijden.



Maar zelfs zou je je kunnen afvragen of Meijsing niet zelf ook een tweede man is, als zij bij monde van haar personage Robert beschrijft hoe de Engelse wetenschapper er met zíjn thema vandoor is gegaan en welk meesterwerk hij vervolgens heeft geschreven: ‘Dit was het werk van een superieure geest. Het werk was geestig, erudiet, spannend, sprankelend, intelligent. (…) Het was geen roman en geen wetenschappelijk werk, het lag er ergens tussenin, het was een nieuw genre waarin een oud verhaal tegen het licht werd gehouden met de juiste bronnen in de hand. Het leidde tot geheel nieuwe inzichten en deed dat met het gemak van de thriller, tot en met de moord op de hoofdpersoon en een in de as gelegde stad.’


Het soort meesterwerk dat Meijsing hier beschrijft is een Ontdekking van de hemel van Mulisch, een Naam van de roos van Eco, een Possession van Byatt, en niet een Tweede man van Meijsing. Daarvoor is haar roman uiteindelijk niet soepel, sprankelend en spannend genoeg, en geestigheid ontbreekt ten enenmale, een enkele gecodeerde verwijzing naar haar persoonlijke Vrij Nederland-verleden daargelaten. De lijn Alexander-Hefaiston blijft een beetje bonkig en academisch opduiken, en de Jacobus-Paulus-ontknoping komt aan het eind te zeer als een aap uit de mouw kruipen om nog maximale indruk te kunnen maken.



De tweede man is een hoekig boek, dat regelmatig blijft haken, zowel in de af en toe stroeve wijze waarop de gebeurtenissen elkaar opvolgen als in een soort stijvigheid van de taal. Ze zijn met elkaar in gevecht, de gymnasiaste die haar klassieken erop na heeft geslagen en dicht bij de bron wil blijven, en de schrijfster die een universeel verhaal wil vertellen in bevlogen bewoordingen.


Desondanks geldt dat Meijsing in deze roman personages, locaties en sferen voorspiegelt die ik anders nooit had gekend, die me de woestijnwind doen voelen en de alcohol doen proeven, en dat het thema van de vriendschap, in het licht van gelijkheid en jaloezie, op originele en heftige wijze gestalte krijgt. Het is de schrijfster, kortom — mede dankzij het interne strijdgewoel — andermaal gelukt een volstrekt authentieke roman te schrijven, waarin het pathos op verfrissend schaamteloze wijze triomfeert en waarin on-Nederlands grote passen worden gezet.



Doeschka Meijsing, De tweede man. Uitg. Querido, 398 blz., ƒ42,50